De zee maximaal benutten in plaats van een landschap vol turbines en masten

Het nieuwe kabinet moet indringende ruimtelijke keuzes maken voor het landelijk gebied, anders gaan de leefbaarheid en de kwaliteit verder achteruit ondanks de kansen die er liggen. Dat is de conclusie van het rapport Kiezen én delen, opgesteld op verzoek van de Tweede Kamer. Hierbij moeten we niet uit het oog verliezen dat het afgelopen decennium in ons landschap al grote veranderingen hebben plaatsgevonden. Windmolens zijn hier een goed voorbeeld van. Ze zijn populair als één van de meest kosteneffectieve wijzen voor het produceren van hernieuwbare energie. In 2014 zijn door het toenmalige kabinet elf, door de provincies aangedragen, windmolenparken op land aangewezen. Laten we eens kijken wat daar vervolgens mee is gebeurd en wat we daar zeven jaar later van kunnen leren voor de Regionale Energiestrategieën.

Als eerste de hinder van geluidsoverlast. Deze is mede afhankelijk van de grootte van de windturbines en de nabijheid van bedrijven en woningen of de plek in voorheen rustige landschappen. Marjolein de Vos schrijft hierover mooie signaleringen in haar column (NRC maart 2019):  “Ik las laatst in een verslag van een zitting bij de Raad van State over windmolens bij het Groningse Meeden over ‘sfeerwoningen’: huizen die veel overlast zullen krijgen van de geplande windmolens, maar daar niet tegen beschermd worden omdat ze geacht worden tot de inrichting van het windmolenpark te behoren. De bewoners zullen op de molens uitkijken, ze zullen de slagschaduwen over zich heen zien flitsen, ze zullen het hoge fluitsuizen horen waar nu nog stilte heerst. De stilte waarom ze daar zo graag woonden’.

Betrek bewoners nadrukkelijker bij initiatieven voor windmolen- en zonneparken

Klachten die we ook bij het windmolenpark in de Drentse Veenkoloniën horen. Een heel ander geluid komt uit het park bij Goeree Overflakkee-Noord. Hier voldeden tien woningen niet aan de normstelling. De hogere geluidbelasting dan de wettelijke norm is geaccepteerd omdat de bewoners betrokken zijn bij het windpark. Ze hebben een bijzondere functie, taken als toezichthouder in relatie tot het windpark en economisch profijt. Hierdoor wordt de geluidbelasting als minder hinderlijk ervaren. En is voor de bewoners sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Een tweede punt waar kritisch naar moet worden gekeken is de combinatie met grote energieslurpende voorzieningen zoals de datacenters. In de Noord-Hollandse Wieringermeerpolder is vorig jaar het grootste windmolenpark van Nederland geopend, dat mede energie levert aan een aantal datacenters. Andere datacenters in de nabijheid van windmolens zien we in de Eemshaven en bij het recente voornemen voor het grootste datacenter van Nederland in Zeewolde. Naast het forse energieverbruik is horizonvervuiling een veelvoorkomende klacht bij deze centers, en verder het verdwijnen van landbouwgrond en het gebruik van koelwater. Zo kan een tekort aan water in droge zomers ontstaan en bestaat het risico van oppervlaktewatervervuiling. Zeewolde heeft daarom al aangegeven dat er niet met drinkwater mag worden gekoeld.

Netwerkverzwaring is bij de energietransitie in Nederland een grote meerjarige investeringsopgave

Een minstens zo belangrijk derde punt zijn de benodigde investeringen in het elektriciteitsnetwerk. In alle genoemde provincies wordt het netwerk mede door de windmolenplannen op dit moment zwaar overbelast. Zo horen burgers en bedrijven op verschillende plaatsen in Nederland dat er een gebrek is aan capaciteit op het elektriciteitsnetwerk. Netwerkverzwaring is bij de energietransitie in Nederland een grote meerjarige investeringsopgave. Tennet gaat uit van een jaarlijkse investering van 4-5 miljard euro ofwel 40-50 miljard tot 2030 voor onderhoud en aanleg op land en de Noordzee. Naast de overheid gaan ook burgers dit merken in hun portemonnee. Bovendien is de aanleg van nieuwe hoogspanningsmasten en transformatorstations een ruimtelijke en zichtbare opgave. Niet alles kan ondergronds worden aangelegd.

De verandering van een aantal van onze landschappen is al in gang gezet. Niet voor niets, windenergie is immers op dit moment één van de belangrijkste duurzame energiebronnen om de klimaatdoelstellingen te halen. Enkele aandachtspunten hierbij. Waar zetten we, naast wettelijke stiltegebieden, in op de niet-formele stiltegebieden? Het is belangrijk om meer zicht krijgen op de effecten van datacenters en we dienen kritisch te zijn ten opzichte van andere nieuwe grote energievreters. En hoe willen we dat ons energienetwerk er de komende dertig jaar gaat uitzien? Net als windmolens doen hoogspanningsmasten iets met ons landschap. Daarom de vraag waar kleine zelfvoorzienende windmolens passen die het net niet belasten?

Het aanleggen van zeewindparken wordt steeds goedkoper

Tot slot, vorig jaar groeide het aantal windturbines op zee ruim twee keer zo hard als in 2019. Waar hier in 2016 nog subsidie voor nodig was, zijn in 2019 de eerst huurafspraken gemaakt voor energiewinning. Het aanleggen van zeewindparken wordt steeds goedkoper. Gelukkig maar, want laten we het Nederlandse landschap niet verder ongemerkt vollopen met grote windturbines en elektriciteitsmasten. Laten we de mogelijkheden op zee maximaal benutten en kritisch bekijken welke andere oplossingen mogelijk zijn voor een toekomstbestendige en betaalbare energietransitie. Met voor op land in gedachte dat windmolens een levensduur hebben van zo’n twintig jaar en dus ook tijdelijk kunnen zijn.

Uit het nieuws: Fop-enquête

Driekwart van de bewoners is voor de komst van windmolens. En dat in een gemeente midden in het Groene Hart. De uitslag van een bewonersenquête in het Zuid-Hollandse Alphen aan den Rijn zorgde voor veel verbazing. En niet ten onrechte, blijkt uit onderzoek van de Volkskrant. Gemeenteambtenaren blijken bij het opstellen van de enquête “nogal sturend te werk zijn gegaan. Critici in Alphen spreken tegenover de Volkskrant van ‘manipulatie’. De lokale SP-fractie heeft 32 raadsvragen ingediend over de ‘fop-enquête’.

De casus in Alphen staat niet op zichzelf. In veel meer gemeenten en regio’s regent het volgens de krant klachten wanneer bewoners via een enquête zijn geraadpleegd over de aanleg van duurzame energiebronnen. Ank Michels, universitair hoofddocent bij het departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht, stelt in het artikel dat burgers op deze manier voor de gek worden gehouden. “Gemeenten weten dat die windturbines er hoe dan ook gaan komen. Wat je nu ziet is dat enquêtes vooral instrumenteel worden ingezet, om aan te tonen dat er draagvlak is voor de energietransitie. Met als gevolg dat burgers zich in de maling genomen voelen, en het draagvlak alleen maar slinkt.”

Het burgerforum klimaat als satéprikker voor integrale oplossingen

Een actueel maatschappelijk onderwerp is de veranderende verhouding tussen overheid en burgers. Lokaal zien we dit al langer, maar ook nationaal groeit de aandacht hier nu voor. Zo diende Tweede Kamerlid Agnes Mulder van het CDA eind 2020 een motie in met de vraag hoe burgers bij het klimaatbeleid en de uitvoering hiervan kunnen worden betrokken. Hierop heeft het kabinet een onafhankelijke adviescommissie, onder leiding van voormalig ombudsman Alex Brenninkmeijer, gevraagd hier onderzoek naar te doen en advies te geven. Een belangrijke uitkomst is het voorstel van een burgerforum om onze democratie te versterken. Dit is een representatieve groep burgers die meningen uitwisselt en beleid bedenkt of adviseert over het klimaatvraagstuk.

Deze aanpak over algemene belangen zien we steeds vaker. Zo ontstond in België na een politieke aardverschuiving in de federale verkiezingen in 2010 het burgerinitiatief G1000 als antwoord op de impasse waarin de politiek belandde. Het eerste overleg van gewone burgers over voor hen relevante politieke thema’s vond plaats op 11 november 2011, met als doel ‘verse zuurstof’ te leveren voor de politieke impasse. Hiermee wordt een democratie bevorderd waarin burgers een beleidsbepalende invloed hebben op het bestuur en gelijkheid.

Een ander recent voorbeeld is het initiatief in 2019 van de Franse president Macron. Hier zijn 150 burgers ingeloot om een antwoord te bedenken op de klimaatcrisis. Voor deze aanpak is mede gekozen naar aanleiding van protest van de Gele Hesjesbeweging in 2018 tegen het verhogen van de accijnzen op diesel en benzine en het onder druk staan van voldoende inkomen voor levensonderhoud. Later kwam er ook protest tegen de hoge belastingen en het bredere beleid van de regering Macron. In deze periode raakten meer dan 2.500 betogers en voorbijgangers gewond, waarop Amnesty vroeg om een onderzoek naar politiegeweld. Niet iets om na te streven, denkend aan recente protesten in Nederland van boeren tegen de stikstofaanpak of van bezorgde burgers tegen datacentra en windmolens, zoals recent op IJburg. Het advies voor een Burgerforum Klimaat komt dus op het juiste moment.

We kunnen leren van het initiatief van president Macron

De klimaatopgave raakt aan verschillende andere grote ruimtelijke opgaven. Hoe kan het Rijk dit naast het betrekken van burgers het beste oppakken? In een recent opiniestuk op Gebiedsontwikkeling.nu stelt Geurt van Randeraat (directeur SITE) onder meer dat de NOVI acht zogenaamde NOVI-gebieden (waarvan er drie definitief door de minister zijn benoemd) een onduidelijk karakter hebben. Het zouden ‘belangrijke gebieden’ zijn, maar bij lang niet alle locaties speelt de meervoudige problematiek. Van Randeraat vraagt zich af waarom het Rijk niet teruggrijpt naar de uitvoeringskracht en helderheid van de Sleutelprojecten uit de Vierde Nota over de ruimtelijke ordening. “De koppeling van de systematiek van de Sleutelprojecten aan integrale gebiedsopgaven als game changer. Met Rijksregie om te komen tot een integraal ruimtelijk en programmatisch perspectief voor meerdere opgaven en een integrale zak geld.”

Een pleidooi dat naadloos aansluit bij het initiatief van de NOVI-alliantie, een brede coalitie van NEPROM, middelgrote gemeenten (G40), VNO-NCW, Staatbosbeheer, de openbaarvervoerwereld en de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) om samen met bestuurders in vijf regio’s te werken aan integrale regionale investeringsagenda’s (RIA’s). Dit voorkomen van een sectorale aanpak geldt net zo goed voor het Burgerforum Klimaat. Het zou zich moeten richten op het aandragen van dwarsverband-oplossingen; niet alleen ruimtelijk maar ook vanuit sociaal perspectief. Hierbij kunnen we leren van het initiatief van Macron. Hij stelde voor het burgerdebat de vraag: “Hoe kunnen we op sociaal rechtvaardige wijze tot 2030 de uitstoot van broeikasgassen met minstens 40 procent verminderen, vergeleken met 1990?”

Sinds begin jaren ’90 is Nederland rijker, maar de inkomensongelijkheid is fors toegenomen

Ook in Nederland speelt immers de vraag naar sociale rechtvaardigheid. Een belangrijk weten hierbij is dat we als land steeds rijker zijn geworden sinds het eind van de vorige eeuw, maar dat 50 procent van de inwoners deze groei niet terugziet in hun portemonnee. Sinds begin jaren ’90 is Nederland rijker, maar de inkomensongelijkheid is fors toegenomen. Zo krijgt sinds eind vorige eeuw de bovenste 10 procent inwoners een steeds groter deel van wat we met zijn allen verdienen, en de arme 50 procent een steeds kleiner deel (zie ook Scheefgroei in de polder van BNNVARA). Dit heeft naast het veel gehoorde ‘vinden van een betaalbare woning’ ook effect op de mogelijkheden van een groot aantal burgers om financieel bij te dragen aan de klimaatopgave.

Hoe verder? Het betrekken van burgers bij ruimtelijke vraagstukken is niet nieuw en er zijn al vele (digitale) vormen op wijkniveau. De vraag vandaag is hoe we burgers een bijdrage kunnen laten leveren aan een integrale aanpak van de grote maatschappelijke opgaven waar we voor staan. Laat het Burgerforum Klimaat als verbindende satéprikker bijdragen aan fysieke integrale oplossingen met aandacht voor sociale rechtvaardigheid. Dit is een aanpak die past bij de veel gehoorde oproep aan de nieuwe regering om niet met een dichtgetimmerd regeerakkoord te komen, maar ruimte voor debat te geven aan de Tweede Kamer en in de samenleving. Dit helpt om te werken aan een breed draagvlak voor de aanpak van de klimaatopgave en het slim en sociaal rechtvaardig koppelen van investeringen voor de complexe (en deels botsende) opgaven waar we in ons kleine kikkerlandje voor staan.

Maak van de NOVI-Uitvoeringsagenda een levende leeromgeving

Op 31 maart vindt de NOVI-conferentie plaats onder het motto ‘van visie naar uitvoering’. Centraal op deze conferentie staat ‘informeren en inspireren’. De Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) zal op deze dag met TU Delft hoogleraar gebiedsontwikkeling Co Verdaas een livestream verzorgen. Hij zal het gesprek aangaan over de dilemma’s van sturen op samenhang en de lange termijn, in tijden van grote onzekerheid. En hoe overheden, marktpartijen en maatschappelijke partners hiermee om kunnen gaan.

De opgaven waar we voor staan zijn groter dan de beschikbare ruimte in Nederland. Dit vraag om meer regie en sturing vanuit het Rijk. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de bijbehorende Uitvoeringsagenda (2021-2024, pdf) maken onderdeel uit van een proces waarin één overheid – samen met de samenleving – werkt aan de doelen, ambities en een integrale aanpak van de prioritaire NOVI-opgaven. De NOVI wordt door het Rijk samen met medeoverheden en maatschappelijke partijen gebiedsgericht uitgewerkt in omgevingsagenda’s, gebiedsagenda’s en NOVI-gebieden. De omgevingsagenda’s dienen als integratiekader om de verschillende programma’s in gebieden bij elkaar te brengen.

Vertrouwen essentieel voor samenwerking

Op 3 maart ondertekende de VNG, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en minister Ollongren de Samenwerkingsafspraken bij de NOVI. Houding en gedrag zijn een belangrijk punt hierin om tot gezamenlijke uitvoering te komen. “In de samenwerkingsprocessen organiseren we dit leren expliciet door continue reflectie in te bouwen. Zo kunnen we patronen signaleren en doorbreken. Daarmee creëren we een setting voor samenwerking waarin we elkaar kunnen coachen, waarbij we begrip voor elkaar hebben en waar we ons kwetsbaar op kunnen stellen. Zo ontstaat vertrouwen.”

Vertrouwen geldt in de NOVI Samenwerkingsafspraken terecht als essentieel element

Gezamenlijke uitvoering van de gebiedsagenda’s vraagt naast sectorale kennis om integrale samenwerking binnen en buiten de overheid. Dit is niet altijd eenvoudig, het stapelen van ambities werkt niet. Binnen de omgevingsagenda worden dan ook de eerste afgewogen keuzes gemaakt binnen en tussen beleidsvelden. Welke opgaven krijgen in een bepaald gebied prioriteit? De noodzakelijkheid van het maken van afwegingen zowel in de omgevings- als gebiedsagenda’s is geen nieuw inzicht maar gezien de grote opgaven waar we voor staan vaak wel complexer dan in het verleden. Om die afwegingen te maken is vertrouwen tussen partijen nodig. En vertrouwen wordt in de NOVI samenwerkingsafspraken dan ook terecht als essentieel element benoemd.

Regionale investeringsagenda’s

Een voorbeeld van het werken in en aan vertrouwen is de NOVI-alliantie, een brede coalitie van NEPROM, middelgrote gemeenten (G40), VNO-NCW, Staatbosbeheer, de openbaarvervoerwereld en de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling heeft het initiatief genomen om samen met bestuurders in vijf regio’s in Nederland aan regionale investeringsagenda’s (RIA’s) te werken. Dit om de NOVI-ontwerpnota van het Rijk samen met de 1 miljard euro voor de woningbouwimpuls te vertalen naar uitvoering voor het komend decennium. De NOVI-alliantie zet voor de RIA’s als eerste in op het integreren van verkokerde investeringen. Het tweede punt in de aanpak is publiek-private samenwerking nieuwe stijl (langjarig, strategisch, samenhang tussen infra-klimaat-groen-woningbouw-verstedelijking-economie, et cetera). Als derde wordt ingezet op meer stabiliteit, voorspelbaarheid, innovatie, financiële ‘zekerheid’, onder andere door het bundelen van investeringen.

De uitvoeringsgerichte RIA’s maken het zo mogelijk verder in de tijd te kijken en in te zetten op regionaal draagvlak en een afweging van benodigde investeringen. Zo kan met betrokkenheid van lokale partijen worden gekeken welke (lange termijn) ruimtelijke keuzes en integrale aanpak het beste passen. 

De Uitvoeringsagenda vraagt om specifieke kennis en expertise

Digitale leeromgeving

Uitvoeringskracht vraagt naast vertrouwen ook om specifieke kennis en expertise. Tevens is het een leeromgeving. Op dit moment is er op veel plekken een gebrek aan mensen met de benodigde capaciteiten en competenties. De beschikbaarheid van deskundigheid is zeker voor de middelgrote en kleine gemeenten, maar ook aan de private kant een belangrijk aandachtspunt. Het uitwisselen van mensen tussen gemeenten, provincies en private partijen kan een belangrijke bijdrage leveren om elkaars omgeving en werkwijze te snappen. Het draagt, naast het uitwisseling van kennis en ervaring bij aan begrip voor elkaars positie, het leren van elkaars taal en zo ook aan vertrouwen tussen partijen. De SKG kan – voor het cyclisch proces van de NOVI – met haar publieke en private partners hieraan een belangrijke bijdrage leveren in samenwerking met de TU Delft en andere kennisinstellingen. Een digitale leeromgeving is hierbij een essentieel onderdeel. Ook kan gedacht worden aan een programma waarin ‘meesters’ (ervaring; sommige patronen/processen zijn van alle tijden) gekoppeld worden aan een gezel (frisse ideeën).

In de Samenwerkingsafspraken bij de NOVI is aandacht voor stilstaan bij de voortgang van de transitieopgaven en de gezamenlijke inzet hierbij. “De jaarlijkse NOVI conferentie vormt een moment om stil te staan bij en gezamenlijk te bekijken hoe de samenwerking verloopt tussen de verschillende overheden. Wat gaat goed en op welke terreinen liggen nog aandachtspunten? Verder is in het cyclische proces van de NOVI een tweejaarlijkse effectenmonitor opgenomen. Deze monitor brengt de voortgang van de verschillende transitieopgaven in beeld. Met behulp van deze monitor kan gezamenlijk worden bezien hoe de samenwerking verloopt en waar eventueel meer aandacht nodig is.”

Een digitale leeromgeving is een noodzakelijke aanvulling om de beoogde werkwijze van de NOVI, namelijk ‘permanent en adaptief’, met betrokken partijen vorm te geven.

Schaarste: het nieuwe normaal?

Schaarste aan tijd dat kennen we allemaal. Maar de coronapandemie legt bloot dat er ook andere vormen van schaarste zijn. Zo zorgt het bij diverse leeftijdsgroepen voor eenzaamheid, een vorm van psychologische schaarste. Het is immers lastiger geworden om familie en vrienden te zien. Naast dat het bijdraagt aan gemis en spanning in sommige huishoudens, zien we door het thuiswerken een herwaardering van schaarse tijd.

In het ruimtelijk domein hebben we ook te maken met schaarste. Zo horen we bijna dagelijks over het tekort aan woningen. En worden we als gevolg van klimaatverandering geconfronteerd met diverse vormen schaarste. Denk aan grondstoffen. Europa is voor haar grondstoffen sterk afhankelijk van andere continenten. Mondiale politieke factoren spelen dus een belangrijke rol. Zo worden we regelmatig geconfronteerd met grote prijsfluctuaties. Als antwoord op deze vorm van schaarste en het verminderen van de CO2-uitstoot heeft Nederland als doel om in 2050 volledig circulair te zijn. Om dit doel te bereiken pleitte staatsecretaris Van Veldhoven (I&W) aan de hand van de eerste Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER 2021) van het PBL voor één circulaire economiewet.

Een andere vorm van schaarste zien we bij ons drinkwater. Het jaar 2020 staat in de top-tien van droogste jaren ooit gemeten. Deze droogte is tastbaar op hooggelegen zandgronden en bij lage rivierstanden. Als bij de zandgronden het grondwaterpeil te laag staat, kan er minder water uit de grond worden gepompt. Voor de rivieren is de Maas een goed voorbeeld. Deze rivier levert kraanwater aan vier miljoen mensen in de provincies Zuid-Holland, Zeeland en een deel van Limburg. Vanwege de beperkte voorraad aan zoet grondwater in deze gebieden is men hier voor drinkwater grotendeels afhankelijk van oppervlaktewater van de rivier. Bij een lage rivierstand neemt het volume af en stijgen de concentraties verontreinigingen die ververst moeten worden met als gevolg een lagere beschikbaarheid en soms dus ook schaarste aan drinkwater.

Tot slot de schaarste in de elektriciteits- én warmtevoorziening (41 procent van de energievraag). In het Klimaatakkoord zet Nederland in op 100 procent duurzame bronnen in 2050. Maar op dit moment is fossiel aardgas nog de belangrijkste energiebron voor driekwart van de huishoudens. Hiermee is Nederland op dit moment grotendeels zelfvoorzienend. Het risico op schaarste ontstaat als de aardgasbron in Groningen in 2030 naar nul is teruggeschroefd. Het gevolg is dat we steeds vaker stroom moet importeren. Hoe dit precies vorm gaat krijgen is voor een deel nog onzeker. Daarbij zijn nieuwe energiebronnen zoals windenergie en zonnepanelen minder stuurbaar en weersafhankelijk, waardoor de stroomvoorziening lastiger te voorspellen is. Ook kan ons netwerk deze nieuwe vormen van energie in sommige delen van ons land nog niet aan. Verder zien we dat nieuwe systemen niet altijd optimaal functioneren. Zo nam het programma Radar ons recent mee in de werking van het collectieve WKO-systeem. Burgers worden hierbij via het warmtenet met één leverancier voor lange termijn aangesloten op dit systeem en hebben regelmatig te maken met uitval in de levering van warmte of elektriciteit.

Schaarste het nieuwe normaal? De geschetste ontwikkelingen maken duidelijke dat we er de komende jaren steeds vaker mee te maken krijgen. Wat vraagt dit van ons? Wetgeving is een belangrijk instrument, maar de schaarste vraag ook om een verandering in ons gedrag. Ben Tiggelaar is een auteur die regelmatig zijn inzichten over gedragsverandering met ons deelt. Zo geeft hij aan dat gedragswetenschappers kijken naar het samenspel tussen drie factoren: capaciteit, motivatie en omgeving. Kortom je moet een nieuwe handeling kúnnen uitvoeren, je moet het willen, en de omgeving moet je de gelegenheid bieden om het te doen.

Met de circulaire aanpak zijn we al relatief ver, zeker als de circulaire economiewet politiek doorgang krijgt. Kijken we echter naar de drinkwatervoorziening dan staan we nog in de fase van kunnen en willen uitvoeren. Met daarbij een belangrijke verantwoordelijkheid voor ons als burgers. Denk aan minder vaak douchen, de regenpijp in de zomer los met afvoer naar de openbare ruimte of minder tegels en minder sproeien in de tuin. Daarnaast is waterbuffering voor droge tijden belangrijk, evenals het kijken voor welke functies zogenaamd grijs water (circulair) bruikbaar is. Het overstappen naar een andere energievorm is nog niet zo eenvoudig, maakt de Proeftuin Aardgasvrije wijken duidelijk. Ook hier is een belangrijke les het centraal stellen van de burger. Om hen te motiveren is het belangrijk dat er antwoord wordt geven op vragen en onzekerheden. Krijg ik mijn huis warm? Kan ik dit wel betalen? En welke inbreng kan ik leveren?

Hoe verder? Voor gebiedsontwikkeling is de vraag hoe we bij burgers het bewustzijn voor de verschillende vormen van schaarste op onze planeet kunnen vergroten en ze er op de juiste wijze bij kunnen betrekken. Wat zijn de juiste prikkels? Niet makkelijk leert de coronacrisis ons. In ons kleine landje met een vrij volk lijkt het opnemen van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid niet eenvoudig….

Het kapitalisme van morgen

Vorige week vond in Davos het World Economic Forum plaats. De pandemie, het klimaat en de verhoudingen tussen het westen en China stonden centraal. Een belangrijke vraag was of we alles anders gaan doen na de pandemie? Of naar een boek van de leidende figuur Klaus Schwab bij dit Forum: is het tijd voor een Great Reset? Minder sociale ongelijkheid, meer maatregelen voor het klimaat, met meer staat en minder vrije markt. Bondskanselier Angela Merkel stelde dat het niet ging om een reset van doelen, maar om een reset in vastberadenheid waarmee we dingen doen. Volgens haar heeft de pandemie laten zien hoe kwetsbaar de mens is en dat de mens ondanks alle technologische vernuft nog steeds deel uitmaakt van een natuurlijke omgeving.

Kijken we naar gebiedsontwikkeling, dan denk ik dat zowel Schwab als Merkel een boodschap hebben die aansluit bij de uitvoeringsagenda van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De uitvoeringsagenda richt zich op de uitwerking van vier prioriteiten met bijbehorende beleidskeuzes. De eerste prioriteit is ruimte voor klimaatadaptie en energiestrategie, de tweede duurzaam economisch groeipotentieel. Als derde willen we sterke, gezonde steden en regio’s, en de vierde prioriteit betreft de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Dit gebeurt vanuit een breed welvaartbegrip. Dus kijken naar de puur economisch waarde én naar maatschappelijke waarden.

Een belangrijke vraag is hoe we aan deze waarden invulling kunnen geven. Vanuit het perspectief van het VN-Klimaatakkoord van Parijs is het door John Elkington in 1994 gelanceerde People, Planet, Profit (PPP) een bruikbaar handvat. Passend bij een breed welvaartbegrip is het de kunst een evenwicht te vinden tussen de drie P’s. Maar recent (2018) verwoorde Elkington dat sinds de lancering de aandacht vooral naar profit uitging. Succes of falen van duurzame oplossingen moet volgens hem niet alleen worden bekeken vanuit het perspectief van winst of verlies, maar ook vanuit het oogpunt van welzijn van mensen en een gezonde aarde. Hij ziet dit als de start van ‘het kapitalisme van morgen’.

‘De economie moet in dienst staan van hogere doelen, en menselijke en ecologische belangen dienen’

Om de betekenis van dit begrip concreet te maken is het goed een onderscheid te maken naar de traditionele economie gericht op groei en een brede welvaartseconomie. Volgens Kathering Trebeck, voortrekker van de wereldwijde beweging voor een Wellbeing Economy is het huidige systeem onrechtvaardig, onstabiel, niet duurzaam en maakt het mensen ongelukkig. Verwar middel en doel niet, stelt zij. De economie moet in dienst staan van hogere doelen, en menselijke en ecologische belangen dienen. Gegeven deze kritiek en wat Elkington aanhaalt bij zijn PPP-benadering sluit het boek Donut Economy (2017) van Kate Raworth hier naadloos op aan. Ze pleit ervoor om de economie te laten balanceren tussen een sociale ondergrens gevormd door mensenrechten zoals veiligheid, gezondheid en voldoende eten en een ecologische bovengrens die gaat over luchtvervuiling, klimaatverandering en bodemuitputting.

Gelukkig zien we bij gebiedsontwikkeling een groeiende aandacht voor de geschetste punten en een benadering vanuit brede welvaart ofwel een welzijnseconomie. De vraag is hoe we met de NOVI Uitvoeringsagenda hier verder vorm aan kunnen geven en verder kijken dan de besluitvorming en de benodigde investeringen. Een technocratische aanpak, waarin het beleid wordt vormgegeven aan de hand van adviezen van experts en relevante analyses is in deze tijd niet meer voldoende om tot ruimtelijke oplossingen te komen. Er is een grote diversiteit aan grote maatschappelijke opgaven. Dat maakt dat er verschillende publieke, private en maatschappelijke partijen zijn, ieder met een eigen maatschappelijke agenda en vanuit diverse waarden, gedurende het proces om tot uitvoering te komen.

De recente protesten van burgers tegen overheidsmaatregelen, vanuit onbegrip of economisch achterblijven, en de groei aan burgerinitiatieven bij gebiedsontwikkeling geven aan dat het belangrijk is om burgers hierbij te betrekken. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) benadrukt dit in de recente publicatie De balans van de leefomgeving, Burger in zicht overheid aan zet (2020). De positie van de burger in de ruimtelijke ordening is nog onvoldoende, luidt een van de conclusies.

‘De uitdaging blijft het slaan van bruggen tussen diverse partijen met ieder hun eigen waarden’

Het kapitalisme van morgen. Met de verkiezingen voor de deur gaan we de komende weken horen welke waarden de diverse politieke partijen belangrijk vinden en hopelijk ook hoe ze burgers willen betrekken bij de opgaven waar we voor staan. De uitdaging blijft het slaan van bruggen tussen diverse partijen met ieder hun eigen waarden. Laten we hierbij niet het pad opgaan van de verkiezingen in de Verenigde-Staten, waar het verschil in waarden via de digitale media alleen maar werd uitvergroot. Laten we ons baseren op de literatuur. Romans van het nieuwe millennium formuleren een artistiek antwoord op de verwevenheid van politiek en gevoel, gemeenschap en het individu. De ik kan niet zonder de omgeving en anderen. Verbondenheid staat niet in de weg van ideologische spanningen en politieke debatten, maar is juist datgene wat een werkelijk engagement vereist. ‘Wie zichzelf overwint, is sterker dan hij die de stad inneemt’*. 

Agnes Franzen, strategisch adviseur bij de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) en TU Delft

*Citaat moeder schrijver Ingmar Heytze

Om verder te lezen:
https://www.novistukken.nl/uitvoeringsagenda/default.aspx
http://waardenbenadering.nl/waarden/
https://www.nrc.nl/nieuws/2021/01/07/de-roman-heeft-een-lichaam-gekregen-a4026640

Gebiedsontwikkeling 2021

Voor gebiedsontwikkeling heeft de coronapandemie reeds gaande ontwikkelingen verder blootgelegd. Technologische ontwikkelingen zoals het vaker thuiswerken en de groei van digitale bestellingen met als gevolg een groeiende leegstand van kantoren en winkelpanden. Maar ook daling van de CO2-uitstoot door minder lucht- en autoverkeer en het pijnlijk zichtbaar worden van de sociaaleconomische tweedeling. Denk aan onderwijs, eenzaamheid en gezond gedrag.

Breder welvaartsbegrip

De wereldwijd voelbare pandemie heeft het belang van een breder welvaartsbegrip duidelijk gemaakt. Economische groei is niet het enige dat de welvaart voor burgers bepaalt. Al in 2016 hebben de Universiteit Utrecht en RaboResearch als alternatieve welvaartsmaat de Brede Welvaartsindicator (BWI) gelanceerd. Het gebruik van deze indicator met elf dimensies van welvaart maakt het mogelijk om de samenhang en interactie tussen verschillende dimensies te achterhalen, en beleidsdilemma’s bloot te leggen. Die elf dimensies zijn: veiligheid, gezondheid, inkomen, persoonlijke ontwikkeling, milieu, baanzekerheid, wonen, maatschappelijke betrokkenheid, sociale relaties, subjectief welzijn en de werk-privébalans.

Een sterkere rol van de overheid en een breder welvaartsbegrip geven steeds vaker richting aan de grote maatschappelijke opgaven waar we in gebiedsontwikkeling voor staan. De strijd om de ruimte is hierbij een belangrijke factor. Minder landbouwgrond, meer ruimte voor natuur, hoe om te gaan met de toename van het aantal grote distributiecentra en datacenters plus de vraag hoeveel, welke en waar ruimte wordt geboden aan duurzame energieopwekking. En vanzelfsprekend hoort bij dat rijtje de vraag hoe de 1 miljoen gewenste nieuwe woningen worden ingepast, inclusief de bijbehorende infrastructuur. 

Investeringen voor ruimtelijke opgaven

De economische impact van de coronapandemie is groot. Na de kredietcrisis in 2008 was het overheidssaldo min 12 miljard, nu midden in de coronacrisis staat de teller voor 2020 op min 56 miljard. En wordt voor 2021 een tekort van 45 miljard verwacht. Gelukkig heeft het huidige kabinet voor de ‘strijd om ruimte’ wel extra middelen ingezet en deze ‘naar voren’ gehaald. Woningbouw is topprioriteit voor minister Ollongren (BZK) die dat kracht bij zet met een impuls van 450 miljoen euro voor 2021. Voor de transformatie van winkels en kantoren naar woningbouw is 20 miljoen extra vrijgemaakt. En nog eens 75 miljoen is bestemd voor verduurzaming van de gebouwde omgeving. 

Minister Schouten (LNV), richt zich met haar begroting (2 miljard euro) op het staande houden van de landbouw en visserij op de wereldmarkt. Met een stapsgewijze transitie naar kringlooplandbouw met duurzame productie van voedsel in verbinding met de natuur. Voor de energietransitie geeft de overheid steun met subsidies en investeringen via het staatsbedrijf TenneT en Invest-NL (financiert ondernemingen die Nederland duurzamer en innovatiever maken). Plus een  bijdrage uit het door ministers Wiebes (EZ) en Hoekstra (Financiën) gelanceerde groeifonds (20 miljard) om de komende vijf jaar in te zetten op herstel van onze economie.

Drie relevante vraagstukken

Naast investeringen vragen de voorliggende opgaven om een Brede Welvaartsindicatorbenadering. Met de effecten van de coronacrisis in gedachten belicht ik drie relevante vraagstukken voor gebiedsontwikkeling met handreikingen voor de agenda 2021. 

Als eerste het stimuleren van gezond gedrag. In veel steden zien we dat er naast openbare sportvoorzieningen meer ruimte komt voor fietsers en voetgangers. Maar het gaat om meer. De door Ingenieursbureau Arcadis uitgebrachte Gezonde Stad Index 2020 geeft hiervoor houvast. In de index worden vijf domeinen benoemd waaraan de gezonde stad moet voldoen. Te weten: gezond milieu, gezonde gemeenschap, gezonde gebouwde omgeving, gezonde mobiliteit en gezonde buitenruimte.

Als tweede is de vraag van belang hoe kan worden bijgedragen aan een inclusieve samenleving. Céline Janssen (promovenda leerstoel Gebiedsontwikkeling TU Delft) heeft dit in 2019 helder beschreven aan de hand van zeven interpretaties die ze waarnam in het veld van gebiedsontwikkeling. Het betreft: weten wat gebruikers willen, betaalbaar wonen, versterken van de sociale samenhang, zelforganisatie, kansen voor persoonlijke ontwikkeling, integreren van sociale en ruimtelijke programma’s en tot slot omgang met functies ‘die niemand wil’ zoals daklozen of een tbs-kliniek. Bruikbare voorbeelden om bij een gebiedsontwikkelingsopgave het begrip sociale inclusie concreet te maken.

En als derde de groeiende aandacht voor natuur en meer specifiek biodiversiteit. Naast het buitengebied leveren ook steden hier een belangrijke bijdrage aan. Volgens Tobias Verhoeven en Rosalie de Boer (Synchroon) zetten steden ook steeds meer in op natuurinclusieve ontwikkeling. In de praktijk wordt naast het inzetten van landschapsarchitecten ook steeds vaker samengewerkt met ecologen in gebiedsontwikkeling. Dit gebeurt vooral ‘aan de voorkant van het proces’ zodat in beeld kan worden gebracht hoe de biodiversiteit kan worden versterkt. Een mooi voorbeeld is de slogan van Breda: ‘een stad in een park’.

Verkiezingen

Op 17 maart zijn de Tweede Kamerverkiezingen. De drie geschetste punten verdienen de aandacht bij de terugkeer van een ministerie van Ruimtelijke Ordening. De mogelijkheden hiervoor worden mede bepaald door de samenstelling van het kabinet. Krijgen we een kabinet over rechts of over links of wordt het een regenboogcoalitie? Het jaar 2021 wordt in ieder geval het jaar van de coronavaccins en hopelijk ook het concreet maken van het brede welvaartsbegrip in gebiedsontwikkeling.

Corona: kans voor versnellen klimaattransitie

Corona heeft zich genesteld in vele onderdelen van de samenleving. Het heeft in Nederland even geduurd, maar ook hier zien we nu mensen met mondkapjes op straat en in winkels. Een dagelijkse confrontatie met het coronavirus. Ook voor gebiedsontwikkeling. Lege vliegtuigen, lege treinen, rustigere snelwegen. Lege kantoorruimtes, failliete winkels en gesloten horecavoorzieningen. De coronacrisis is een aanslag op onze economie. De Europese Commissie voorspelt dat de EU-landen – op voorwaarde dat nieuwe virusgolven uitblijven – op zijn vroegst in 2023 terugkeren naar hun welvaartsniveau van vóór de coronapandemie.

Europa heeft de ambitie om met de Green Deal het eerste klimaatneutrale continent te worden. Hier zijn echter veel en grote investeringen voor nodig. In de Tweede Kamer was vorige week een discussie over het gewenste tempo van energietransitie. Verantwoordelijk minister Wiebes was hier duidelijk over: ‘het is onmiskenbaar dat er extra actie nodig is om de klimaatdoelen (CO2-reductie van 49 procent in 2030) te halen’. Hij ziet dit als een belangrijke taak voor het volgende kabinet. Maar laten we ook kijken wat vandaag al kan. Laat de coronacrisis geen roet in het eten gooien, maar speel in op de trends die de klimaatdoelen versnellen. Gebiedsontwikkeling en de ontwerpende disciplines kunnen hieraan een belangrijke bijdrage leveren.

Minder vliegen, meer treinen

Als eerste trend de verandering in vervoersbewegingen. Om te beginnen het luchtvervoer. Het zal niemand zijn ontgaan dat het passagiersvervoer per vliegtuig dramatisch is gedaald. De vraag is hoe dit zich na de coronacrisis herstelt. Een verwachte trend is dat er vaker met kleinere vliegtuigen wordt gevlogen, die van bestemming naar bestemming vliegen; ook op langere trajecten. Hiermee staat Schiphol als transferluchthaven onder druk, maar het zorgt wel voor een lagere CO2-uitstoot in de omgeving. Daarbij kan door kleine verbeteringen in het treinvervoer, zoals bijvoorbeeld minder haltes, binnen een straal van 500 tot 750 kilometer de trein een deel van het Europese luchtverkeer vervangen.

Dan het personenvervoer op de weg. Met de groei van het thuiswerken wordt het eenvoudiger om het verkeer over de dag te spreiden, zowel op de snelwegen als in het openbaar vervoer. Dit zorgt voor minder files en is in combinatie met de groeiende markt van betaalbare elektrische (deel)auto’s ook goed voor de luchtkwaliteit.

Meer aandacht voor ruimtelijke ingrepen die uitnodigen om meer te bewegen

Een tweede trend is de groeiende aandacht voor een gezonde stad. Als gevolg van corona zien we een groei van de buitensport en is de schaarse natuur en recreatief Nederland (her)ontdekt. Verder wordt in veel steden al ingezet op minder ruimte voor auto’s en meer ruimte voor fietsers en voetgangers. Ook is er al langer aandacht voor ruimtelijke ingrepen die uitnodigen om meer te bewegen. Daarbij is de openbare ruimte een belangrijke plek voor ontmoeting, zien we ook nu in de coronatijd. Dit past bij de toename van woningcomplexen met veel aandacht voor gemeenschappelijke ontmoetingsruimtes. Ook vraagt het om in te spelen op de klimaatverandering met meer groen en ruimte voor wateropslag voor een betere kwaliteit van onze leefomgeving.

Verder heeft de corona de trend van digitalisering in onze samenleving versneld. Zo zien we een forse groei van digitale bestellingen en bezorgdiensten zowel in food als non-food. De urgentie om na te denken over het inpassen van distributiedozen, die bijdragen aan de energietransitie neemt hiermee toe. Verder heeft het thuiswerken een enorme vlucht genomen. Al zal persoonlijk contact altijd belangrijk blijven, voor bepaalde banen kan veel via virtueel contact. Wat we verder van de coronacrisis leren is dat thuiswerken een enorme impact heeft op de thuissituatie. Niet iedereen heeft een woning met ruimte voor een werkplek. Hiermee zal, naast aandacht hiervoor bij nieuwbouw, de vraag naar gebouwen met flexplekken verder toenemen. Maar door de corona en het vaker thuiswerken zal het aantal leegstaande kantoren en dichtgetimmerde winkelpanden in veel steden groeien. Net als bij verduurzaming van bestaande woonwijken ligt hier een taak voor een duurzame herstructurering van bestaand vastgoed en waar mogelijk het toevoegen van nieuwe duurzame woningen.

Meer aandacht voor herstelbeleid op de middellange en langere termijn vanuit een breed welvaartsbegrip

Hoe verder? Geen misverstand, corona heeft sociaal en economisch dramatische effecten. Maar zoals geschetst biedt het ook kansen. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving is het in Den Haag echter nog niet vanzelfsprekend om ook kansen en risico’s voor de leefomgeving mee te nemen bij het voorbereiden van het herstelbeleid. Ze bracht voor de zomer een policy brief uit met als titel Van coronacrisis naar duurzaam herstel. Hierin een pleidooi om meer aandacht te besteden aan herstelbeleid op de middellange en langere termijn vanuit een breed welvaartsbegrip. In lijn met de geschetste trends geven ze aan dat we voor grote ruimtelijke opgaven staan, die vragen om het maken van slimme combinaties. Een aanpak waar ontwerpende disciplines al veel onderzoek naar hebben gedaan. Laat het volgende kabinet deze studies meenemen in het komen tot besluitvorming over de weg naar een klimaatneutraal Europa voor 2050.

Door Agnes Franzen

Verwest, F., J. Notenboom & O.-J. van Gerwen (2020), Van coronacrisis naar duurzaam herstel. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Geef de boer die wil een toekomstperspectief

Vorige week stuurde minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) het wetsvoorstel Stikstofreductie en natuurverbetering naar de Tweede Kamer. De kritiek op het wetsvoorstel is luid en meerstemmig. De dichtheid van stikstof in de atmosfeer is binnen de EU het hoogst boven het dichtbevolkte Nederland. Het adviescollege Stikstofproblematiek, met Remkes als voorzitter, adviseerde eerder om de stikstofuitstoot te halveren tot 2030, bijna twee keer zoveel als nu wordt voorgesteld. Dat 32 procent van de stikstofuitstoot uit het buitenland komt, maakt het niet eenvoudiger. De ministeries van Infrastructuur en Water en Economische Zaken en Klimaat vinden dat de landbouw veel te weinig bijdraagt aan het verminderen van de uitstoot.

Op dit moment beslaat de landbouw zo’n twee derde van de Nederlandse grond, en levert per hectare meer op dan waar ook ter wereld. De laatste twintig jaar is de hoeveelheid landbouwgrond sterk gekrompen, met bijna een vergelijkbaar aantal hectares als de provincie Drenthe omvat. Dit als gevolg van verstedelijking en door aanwas van natuurgebieden met een sterke toename van de oppervlakte aan moeras en wetlands. Op dit moment bestaat ruim 14 procent van Nederland uit bos en natuurlijk terrein. In bijna drie kwart van deze gebieden worden de kritische waarden voor stikstof overschreden. Vanaf 1900 zien we dat heidegebieden en vooral half-natuurlijk grasland, met karakteristieke plantengroei kruidenrijk en een sterkere structuur, fors is afgenomen door intensivering van de landbouw.

‘Het is belangrijk dat wordt gekeken welk type landbouw waar het beste past’

Met deze intensivering is ook de schadelijke stikstofemissie toegenomen. Ongeveer 78 procent van alle lucht bestaat uit stikstof. Dit is niet gevaarlijk, maar er zijn ook verbindingen van stikstof in de lucht die wel schadelijk kunnen zijn voor mens en milieu. Veel boeren gebruiken mest van dieren en kunstmest om hun land te bemesten. Uit de mest verdampt stikstof als ammoniak in de lucht. Een ander deel van de stikstof kan uitspoelen naar het grondwater. De landbouw veroorzaakt zo 46 procent van de uitstoot. Hierbij moet vermeld dat de emissie in de landbouwsector sinds 1990 met zo’n 40 procent het meest is gedaald ten opzichte van. De uitstoot op dit moment komt grotendeels door de melkveehouderij (1.7 miljoen koeien). De melkveehouders worden op afstand gevolgd door de uitstoot bij akkerbouw (516.000 hectare) en varkensbedrijven (12,5 miljoen varkens). Waar de 17.000 melkveehouders verspreid over het land zitten, zie je bij de 4.300 varkensbedrijven een concentratie in Brabant met lokaal een grote uitstoot.

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

Het nieuwe wetsvoorstel betekent voor de landbouw een omslag naar toekomstbestendige (kringloop)landbouw met zo min mogelijk emissies. Er komen middelen voor investeringen in duurzame stallen, minder eiwit in veevoer en betere mestaanwending. Ook komt er een Omschakelfonds van 175 miljoen euro om boeren te helpen deze stappen te zetten. Voor boeren die vrijwillig willen stoppen komt ook geld beschikbaar. Volgens de NVM stopt de komende tien jaar tussen de 20 en 30 procent van de boeren met hun bedrijf. Hierbij is het goed om te weten dat op dit moment juist bij melkvee het aantal opvolgers met zo’n 60 procent het grootst is (bij akkerbouw en varkens 40 procent). Het is belangrijk dat wordt gekeken welk type landbouw waar het beste past. Intensieve veehouderij met een hoge uitstoot niet te dicht bij een natuurgebied en gewassen verbouwen waar de grond minder mest nodig heeft. Maar hoe innoverend is dit, en hoe gaan we hier vorm aan geven?

‘Landbouw strijdt met water, verstedelijking en energie om steeds schaarser worden de ruimte’

Landbouw strijdt met water, verstedelijking en energie om steeds schaarser worden de ruimte. Het College van Rijksadviseurs heeft hiervoor een toekomstperspectief geschetst. Ze werken sinds begin 2018 met Vereniging Deltametropool en West 8 aan Panorama Nederland. Voor de landbouw zet Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving Berno Strootman in op het sluiten van een New Deal tussen boer en burger. Dat betekent duurzame en circulaire landbouw en ruimte voor recreatie in het landschap. Zo profiteren boer, burger en natuur gezamenlijk. Op dit moment lopen er pilot projecten op zowel kleigrond, zand- en een veenweidegebied. Dit om in beeld te brengen hoe met garantie op inkomen te komen is tot een aantrekkelijk landschap met schoon water, schone lucht en voldoende biodiversiteit. Het streven is een perspectief dat voor fijn boeren staat en een herwaardering voor de omgeving oplevert.

In aanloop van de verkiezingen moet blijken hoe het voorstel van minister Schouten uitpakt. Duizenden boeren protesteren al een jaar tegen de stikstofreductie. Om de noodzakelijke reductie in 2030 te halen is het noodzakelijk het gesprek aan te gaan met deze sector. De door de Strootman gekozen aanpak geeft hiervoor een eerste houvast. Het sluit aan bij de trend van een investerende en innoverende overheid. Waar de Nederlandse regering na de kredietcrisis vasthield aan haar bezuinigingsbeleid, zien we met de coronacrisis een investerende overheid om de economische schade te beperken. Laat de overheid, in de woorden van Mariana Mazzucato hoogleraar Economics of Innovation & Public Value (University College London), als een risiconemende investeerder ook bijdragen aan een duurzame economie voor de boeren. En het huidige wetsvoorstel hiervoor kritische tegen het licht houden.

Meer over de visie van Berno Strootman: https://www.youtube.com/watch?v=A5y2dNbjE5Q

Groeten uit het nieuwe Nederland

Veel landgenoten hebben dit jaar als gevolg van de coronapandemie de vakantie in eigen land doorgebracht. Het dunbevolkte platteland van Nederland was hierbij populair. Even weg van de coronadrukte en de oververhitte stedelijke gebieden. Tot enkele jaren geleden stuurde ik vanaf ons vakantieadres een papieren ansichtkaartje naar familie en vrienden. Heel af en toe stuur ik nog wel eens zo’n kaartje, maar net als veel andere mensen stuur ik vaker een ‘digital post’.

Samenhangende aanpak

Ook bij gebiedsontwikkeling zien we een groei aan digitale kaarten. Zo is het afgelopen jaar een hele reeks aan kaarten verschenen over de grote maatschappelijke opgaven waar we voor staan. Denk aan de woningbouw, energietransitie, mobiliteit, de toekomst van het landelijk gebied, duurzame economische groei en klimaatadaptatie.

Maar de vele digitale kaarten leveren samen nog geen beeld op van hoe we Nederland in willen richten. Zoals (emeritus) hoogleraren Co Verdaas en Friso De Zeeuw deze zomer in hun publicatie Na wildwest en science fiction op zoek naar de juiste film. Naar een nieuw sturingsconcept voor de inrichting van Nederlandbepleitten, is er behoefte aan een samenhangende aanpak. Hoe kunnen de grote opgaven worden omgezet in concrete projecten? Voor de Nationale Omgevingsvisie zijn op dit moment al vele kaarten beschikbaar. Hier zien we grote verschillen in de omvang en aard van de projecten.

Verstoring

Als we kijken naar de functie met het grootste ruimtebeslag staat landbouw met stip op nummer 1, met ruim 50 procent van ons grondgebied. Nederland is de tweede exporteur van agrarische producten ter wereld. Het betreft 20 procent van onze totale export en bijna 10 procent van het bruto nationaal product. Veel landbouwgebieden veranderen echter in hoge snelheid van kleur. Dit komt niet alleen door de stikstofproblematiek en het stoppen van de ruim 400 varkensboeren in Noord-Brabant. Het gaat ook om nieuwe opgaven. Zo vraagt de energietransitie de meeste ruimte met zonneparken en windmolens. Interessant is de overlap die we zien tussen enkele van de grote windmolenparken en agrarische landbouw; denk aan de Flevopolder en de Wieringermeerpolder. Hier zien we niet alleen windmolens, maar ook een verschuiving van agrarische landbouw naar grote energieslurpende datacentra.

Een andere landschappelijke transformatie is de klimaatopgave door veranderingen in temperatuur, neerslag, verdamping en weersextremen. Joks Janssen deelde hierover deze zomer op LinkedIn digitaal gemaakte papieren kaarten. Hierop zien we dat onder andere door  ruilverkavelingen in de tweede helft van de vorige eeuw al langer een verstoring van de ‘natuurlijke’ waterbalans speelt. Vooral op de zandgronden is de hoeveelheid verdroogde grond toegenomen, met een grote impact op het agrarisch gebruik. Naast deze langetermijnontwikkelingen zijn deze zomer ook op andere plekken in het landschap de gevolgen van de klimaatverandering zichtbaar. Zo gaan er steeds minder koeien naar buiten door de langdurige hoge temperaturen Voor deze zomer stonden al 1 op de 3 koeien het hele jaar binnen, dit jaar is dat aantal fors hoger. Daarnaast heeft Nederland 161 Natura 2000-gebieden. Hiermee moet bij transformatie en nieuwe functies in het landelijk gebied rekening worden gehouden.

We zien verder het aantal vierkante meters bedrijfsterreinen en woonwijken groeien. Op dit moment nemen woonwijken zo’n 7 procent van de totale ruimte in Nederland in beslag. Dit vraagt de komende jaren ook ruimte buiten stedelijk gebied. Verder zien we op het platteland de grootste groei van bedrijfsterreinen met logistiek vastgoed. Hierbij geven we volgens Berno Strootman, rijksadviseur voor de fysieke leefomgeving, nog veel te weinig aandacht aan de landschappelijke waarden.

“We horen veel over de bezwaren van woningbouw in ons landschap, maar andere ontwikkelingen hebben veel meer impact”

Gebiedsontwikkeling is bij uitstek een vak dat gaat over het afwegen en het samenbrengen van op het oog tegenstrijdige belangen. Laten we hierbij voor grote veranderingen in het landelijk gebied niet de cultureelhistorische waarde uit het oog verliezen. Juist in het landelijk gebied heeft ons land een groot aantal landschappen en plekken met cultuurhistorische waarde. Een deel hiervan heeft ook een economisch-toeristische waarde. Denk aan onze kustgebieden, de Deltawerken, Keukenhof, Giethoorn, Kinderdijk, de Beemsterpolder, de Zaanse Schans, het eiland Marken, het Kröller-Müller Museum op de Veluwe, de Hunebedden, de vele forten die Nederland heeft en de Waddeneilanden.

Hoe willen we dat de verschillende Nederlandse kaarten van de toekomst eruitzien? We horen veel over de bezwaren van woningbouw in ons landschap, maar laten we de andere geschetste ontwikkelingen in het buitengebied niet uit het oog verliezen. Deze hebben namelijk veel meer impact. Het aantal vierkante meters landbouw zal de komende jaren afnemen en grote veranderingen doormaken. Hierbij is het belangrijk om oog te houden voor de kennis en exportwaarde van de landbouw, evenals voor het behoud en scheppen van nieuwe cultureel waardevolle gebieden. Het is tijd voor een doortastende aanpak, met als doel (vakantie-)kaarten waar we trots op mogen zijn.

Gezocht: Happy Planet Index voor gebiedsontwikkeling

De coronacrisis roept de vraag op wat gebiedsontwikkeling kan doen voor het welzijn van burgers. Welzijn is een breed begrip met twee definities. De eerste gaat over hoe goed het met iemand gaat vanuit lichamelijk, geestelijk en sociaal perspectief. En de tweede gaat over het economische perspectief, over de mate waarin de mensen hun materiële én immateriële behoeften bevredigd achten.

Benodigde miljarden

Een bruikbaar concept voor welzijn is de in 2006 gelanceerde Happy Planet Index (HPI). Dit is een index die maatregelen voor een duurzaam menselijk welzijn en de milieu-impact meet. Het Bruto Binnenlands Product (graadmeter voor de welvaart in een land) wordt als ongepast beschouwd, omdat het uiteindelijke doel voor de meeste mensen niet is om rijk te zijn, maar om gelukkig en gezond te zijn. De vertaling naar gebiedsontwikkeling maakte NEPROM in 2018 met de publicatie: Ruimte maken voor Nationaal Geluk. Daarnaast verzorgde Dura Vermeer dit jaar een digitale sessie op de Provada onder de titel The Good Life, waar gezondheid en geluk voor de gebruikers centraal staat.

Een belangrijke geluksfactor is de beschikbaarheid van woningen voor alle doelgroepen. Kijken we naar Nederland, dan staat de vraag naar middeldure (huur)woningen al jaren op de ruimtelijke agenda. Toch komt de productie maar moeizaam van de grond. Daarom is het goed dat de bouw in deze coronatijd een oproep heeft gedaan te voorkomen dat bouwplannen worden uitgesteld of geschrapt. Remkes’ adviezen over de aanpak van de stikstofproblematiek hebben hieraan bijgedragen, door de bouwsector een stikstofkrediet te geven dat in tien jaar tijd moeten worden afgelost. Daarbij heeft de Woningbouwalliantie, een groep van zeventien partijen waaronder gemeenten, ontwikkelaars, bouwbedrijven, makelaars en installateurs, een oproep gedaan richting het Rijk om de benodigde miljarden euro’s te investeren in betaalbare én duurzame huizen.

Culturele achtergrond

Het onder druk staan van woningen voor de lagere- en middeninkomens zien we niet alleen in Nederland. Dit vraagstuk speelt wereldwijd in grote steden, maakte de documentaire PUSH duidelijk. Partijen als het Amerikaanse Blackstone, de grootste mondiale durfinvesteerder, koopt van private verhuurders betaalbare woningen, knapt ze op en verhoogt de huur. Het was pijnlijk om in de documentaire te zien dat mensen met lagere inkomens uit hun woning werden verdreven en dat veel van de nieuwe woningen gewoon leegstonden. Niet vreemd dat deze Blackstone-werkwijze in Londen en Barcelona tot protesten heeft geleid. De Verenigde Naties staan aan de kant van de actievoerders. Zij geven aan dat de aanpak van Blackstone in strijd is met internationale mensenrechten, zoals het recht op een huis.

Nederland heeft gelukkig regels om de huurders te beschermen, maar ook hier zien we zeker in de grote steden een groei van het aantal woningen dat in handen is van Blackstone. Laat het Rijk niet wachten op een groei van dit type bedrijven, maar bijdragen aan het welzijn en – in lijn met de oproep van de Woningbouwalliantie – investeren in betaalbare duurzame woningen, met oog voor leeftijd, culturele diversiteit en inkomen. We weten immers al decennia dat mensen met lagere en middeninkomens het meest kwetsbaar zijn. Zij beschikken over minder sociale relaties en lagere inkomens en zijn niet of beperkt verbonden met hun eigen biologische en culturele achtergrond.

De hoogste tijd

Vanuit het welzijnsperspectief is gezondheid ook een belangrijke factor. Daarom zou het goed zijn als bij de oproep van de Woningbouwalliantie richting het Rijk ook wordt gekeken naar maatregelen die bijdragen aan onze gezondheid. Naast het verbeteren van de luchtkwaliteit gaat het om het voorkomen van sociaal isolement, het stimuleren van gezond gedrag en de inrichting van de woonomgeving. Rotterdam heeft hierin een voortrekkersrol genomen door 233 miljoen te investeren in zeven grote groene stadsprojecten. Zo krijgt Rotterdam er de komende 10 jaar een aantal grote en kleine parken bij. Dit gaat om investeringen en ruimtelijke ingrepen die bijdragen aan het stimuleren van gezond gedrag én plekken scheppen voor ontmoeting van verschillende culturen en inkomensgroepen.

Als de coronapandemie ons één ding leert, is dat het voor een mensenleven niet alleen om welvaart gaat, maar ook om welzijn. Een andere les is het dat het perspectief van waaruit de overheid kijkt nooit eenduidig is. Zo stond zeker bij het uitbreken van de crisis de invalshoek gezondheid met stip op één. Nu horen we hier kritische geluiden over en komt er weer steeds meer aandacht voor het beperken van de economische schade en bredere maatschappelijke belangen.

Hetzelfde geldt voor gebiedsontwikkeling. Het gaat om de woningnood én om aandacht voor welzijn, gezondheid, een sterke economie en de klimaatuitdagingen. Deze moeten gezamenlijk worden opgepakt. Kortom: het is de hoogste tijd voor een Happy Planet Index voor gebiedsontwikkeling, om zo bij te dragen aan een duurzame toekomst voor iedereen!