Ouderen een gat in de markt?

Deze maand lanceerde het kabinet de stimuleringsmaatregel wonen en zorg. Doel is het aanjagen van nieuwe vormen van wonen en zorg voor ouderen. Maar wie zijn de ouderen? En wat betekent dit voor de dagelijkse praktijk van gebiedsontwikkeling? Krijgen we in Nederland net als in de VS speciale dorpen voor 70+?

Ouder worden is het begin van een laatste levensfase, waarin het arbeidzame leven wordt afgerond. De huidige generatie ouderen is opgegroeid in een tijd van de wederopbouw, een tijd van het aangaan van wederzijdse verplichtingen. Een generatie opgegroeid met het ‘ oans bin zunig’ motto. Ooit slim ingezet in de reclame voor margarine met een vrouw in Zeeuwse klederdracht. Na de wederopbouw volgde een stijgende lijn in welvaart en werd de samenleving steeds individualistischer. Maar sinds het einde van de vorige eeuw is onder premier Wim Kok de overgang van de verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving in gang gezet.

‘Communities als mooi concept voor het langer zelfstandig wonen van ouderen’

Ook in gebiedsontwikkeling is participatie niet meer weg te denken. Of het nu gaat om binnenstedelijke nieuwbouw, het klimaatakkoord of gezonder leven. Het betrekken van burgers staat hoog op de agenda. Wat betekend dit voor de vergrijzingstrend? De oproep aan ouderen om te verhuizen uit de grote hypotheekvrije woning, maar ook (huur) appartementen zonder lift horen we steeds vaker. Waar de AOW leeftijd nu op 66 jaar staat, verschuift dit gaandeweg naar 70-75 jaar. En kijkend naar de demografische cijfers de komende decennia neemt dit aantal 70 plussers fors toe.

Gaat deze groep opzoek naar een andere woonvormen? Diverse onderzoeken laten zien dat er een mismatch is in de ontwikkeling van de bevolkingssamenstelling naar leeftijd en het huidige woningaanbod. Na het individueel tijdperk horen we nu steeds vaker het belang van communities. Een concept dat mooi aansluit bij het langer zelfstandig wonen van ouderen. Naast de sociale dimensie, dragen gedeelde (zorg) voorzieningen bij aan de betaalbaarheid. Maar laten we niet vergeten dat veel ouderen van dit moment gezonder en fitter zijn dan hun ouders op dezelfde leeftijd. Veel ouderen peinzen er niet over om te verhuizen, ze wonen prima en betaalbaar of met een afgeloste hypotheek zelfs gratis. Al is er ook een groep kwetsbare ouderen met een extra zorgvraag. En kan een fitte oudere van de ene op de andere dag een zorgbehoevende oudere worden. Waarbij hij of zij door gebrek aan beschikbare voorzieningen in de nabijheid plotseling naar een onbekend stadsdeel of zelfs een andere gemeente voor een verpleeghuis moet verhuizen.

‘De nog onderbelichtte uitdaging voor het huisvesten van ouderen ligt op delen van ons platteland’

Dit alles overziend is het niet verwonderlijk dat ouderenhuisvesting in het stedelijk gebied steeds hoger op de agenda staat bij provincies, gemeenten, corporaties en beleggers. Gericht op een forse toevoeging van binnenstedelijke appartementen in de betaalbare middenhuur. Wooncomplexen met ruimte voor gedeelde voorzieningen, geschikt voor ouderen, maar indien nodig eenvoudig aan te passen voor een jongere doelgroep. Als dit lukt is het gebrek aan zorgpersoneel overigens waarschijnlijk nijpender dan de beschikbaarheid van woningen. De nog onderbelichtte uitdaging voor het huisvesten van ouderen ligt op delen van ons platteland.

Kijken we naar 2040, dan wonen hier relatief veel ouderen mede als gevolg van wegtrekkende jongeren. Een zwaartepunt van deze krimpende bevolkingstrend zien we in het gebied langs de grens met Duitsland en in de noordelijke provincies Groningen, Friesland en Drenthe. Waar een ouder iemand in het stedelijk gebied eenvoudig zijn huis kan verkopen, is dat hier een stuk lastiger zo niet onmogelijk. De kans op eenzaamheid neemt toe en het aanbieden van gemeenschappelijke zorgvoorzieningen ligt hier een stuk lastiger. Wellicht krijgen we naar Amerikaans model enkele 70+ dorpen. Maar reisafstanden blijven groot en het openbaar vervoer is beperkt. Bij benodigde dagelijkse zorg moet vader of moeder plots 25-50 km verhuizen naar de plek met een zorg of verpleeghuis waar een kamer vrij is.

‘Bieden deze gebieden kansen voor de energietransitie?’

Concluderend, ja de vraag naar woningen voor ouderen is een gat in de markt en de vraag zal de komende jaren zeker stijgen. Naast nog enkele verpleeghuizen, gaat het om woningen voorzien van het gemak van een lift, aanbod van maaltijden plus persoonlijke zorg zoals een kapper en het doen van de was. In sterke economische regio’s, waar succesvol gestuurd wordt op realisatie van het segment middenhuur zal deze transformatie zich geleidelijk voltrekken. Maar op het platteland ontwikkeld zich een ander gat. Gebieden met een groot gebrek aan passende woningen en zorgvoorzieningen. Bij verkoop woningen die men aan de straatstenen niet kwijt kan. Bieden deze gebieden kansen voor de energietransitie? Met de protesten in de Veenkoloniën tegen de windmolens in ons achterhoofd wordt zo’n oplossing in deze krimpgebieden niet altijd enthousiast ontvangen. Met de blik vooruit het zien als vluchtoord bij een snel stijgende zeespiegel? Accepteren we gebieden met een fors aantal woningen in verval en steeds meer eenzame bejaarden? We horen weinig ouderen protest. De hoogste tijd om dit ‘gat in de markt’ met de provinciale verkiezingen hoog op de agenda te zetten.

Ander voedselpatroon als aanjager van landschappelijke veranderingen

De helft van het Nederlandse grondgebied is agrarisch. In Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Zeeland is dit zelfs meer dan 70%, waarvan  – naast akkerbouw en tuinbouw – meer dan de helft grasland. Een recent artikel in het medisch wetenschappelijk tijdschrift The Lancet roept op tot een drastische verandering in ons huidige voedingspatroon. Goed om te weten als land, dat met stip op 2 staat als voedselexporteur.

Om in 2050 de wereld duurzaam te kunnen voeden dient onze vleesconsumptie te worden gehalveerd. Bij het toekomstige eten moeten we denken aan volkoren granen, noten, peulvruchten, groente en fruit. Zelf staan Nederlanders zeker nog niet te trappelen van ongeduld voor deze omslag in eten. Eind vorig jaar had supermarkt AH bijvoorbeeld nog een twitterrelletje om een zwaar vegetarische kerstspecial. De tekst in de twitterstorm: er staan te weinig vlees- en visgerechten in. Wat betekent dit alles nu voor ons buitengebied? Naast robotisering, drastische krimp van varkensstallen en pluimvee, nog minder koeien in de wei, groei van gestapelde hogere glastuinbouw en een groei van de notenproductie met bij Nederland passende hazelnootstruiken en walnootbomen?

Behalve landschappelijke transformaties, speelt zich buiten het blikveld van veel stedelingen nu al een forse verandering af op agrarische gronden. Denk aan de datacentra en energielandschappen met zonnepanelen en windmolens op land en zee. Daarnaast wordt de aanpak van inklinkende veenweidegebieden steeds urgenter. In sommige gebieden is het niveau van de wegen en het waterpeil op een paar centimeter na gelijk. Keren we terug naar dijken, gemalen of terpen? Een pittige opgave naast het versterken van dijken en meer waterbergingsgebieden.

Ingrijpende veranderingen in het landschap zijn niet nieuw. In de tweede helft van de 19e eeuw maakte Nederland als gevolg van de industriële revolutie ook een drastische omslag door. Er kwamen fabrieken, de mensen trokken  van het platteland naar de stad en op diverse plekken reden tramlijntjes met stoomlocomotieven. In de 20e eeuw volgden verdere industrialisatie, ruilverkaveling, ontwikkeling van forse bedrijventerreinen en het opslokken van het buitengebied door rijtjeswoningen in groeikernen en met de Vinex langs stedelijke randen. Hoe verder? Wat past bij onze Holland Metropool? Hoe gaan we om met de economische impact? Wat raakt onze gezondheid? En wat koesteren we vanuit gebiedsontwikkeling? Is de canon van het Nederlandse landschap nog actueel? Het is de hoogste tijd om deze sluimerende ontwikkelingen op de agenda te zetten. Wake-up burgers, boeren en buitenlui!

Hup, Holland hup: we laten het mondiale klimaat in haar hempie staan

Met de provinciale verkiezingen in aantocht zien we vooral nationaal een opleving van populistisch taalgebruik. Volgens de Belgische filosoof David Van Reybrouck moeten we populisme niet wegzetten als iets slechts, maar als iets dat gaat over verbeteren. Volgens hem is populisme protestpolitiek. Wat kan gedaan worden aan de groeiende kloof tussen een steeds vaker protesterende massa en de elite? Premier Rutte ziet ook ruimte voor populisme. Het past volgens hem bij het luisteren naar het volk en hun zorgen. Mits men zich niet richt op provocatie van burgers, maar er ook serieuze oplossingen worden gepresenteerd.

Een actueel mooi voorbeeld is de reactie van president Macron op het Gele Hesjes-protest in Frankrijk. Na het terugdraaien van enkele klimaatmaatregelen roept de president zijn burgers begin dit jaar op voor een nationaal debat, onder andere over het klimaat. Bij zijn eerste bezoek in Normandië in het plaatsje Grand Bourgtheroulde ging hij in gesprek met bewoners en 600 burgemeesters. Hij startte het gesprek met ‘mijn enige zorg bent u’ en bleef zo’n zeven uur om daadwerkelijk een gesprek te kunnen voeren.

‘Met de aankomende provinciale verkiezingen neemt het populistische taalgebruik bij politici toe’

Laten we met deze bril op eens kijken wat we horen vanuit Den Haag over de Klimaatwet. Met de aankomende provinciale verkiezingen neemt het populistische taalgebruik bij politici toe. Maar weinig mensen zal de uitspraak van Klaas Dijkhoff van de VVD in de Telegraaf zijn ontgaan, waarin hij zijn handen van het klimaatakkoord afhaalt. Eerder gaven de PVV en Forum voor Democratie (FVD) aan tegen de Klimaatwet te zijn. Bij de PVV hoorde we: het is een ‘vreselijke wet’ die Nederland naar ‘de knoppen’ helpt. En volgens FVD is er zelfs geen klimaatprobleem en heeft de mensheid er geen invloed op.

Bovenstaande geluiden gaan niet in op burgerprotest of burgerinitiatieven. Het is een vorm van inhoudsloze protestpolitiek. De uitspraken bevatten ook geen begrijpelijke oplossingen voor burgers, gegeven de uitdaging waar Nederland voorstaat met het Parijse Klimaatakkoord uit 2015. Ja, we zijn maar een klein land en leveren een bescheiden bijdrage aan de wereldwijde CO2 reductieopgave. Ja, landen als China, Rusland en de VS kunnen een veel groter verschil maken. En ja, president Trump trekt voor de VS zijn handen af van het Parijse Klimaatakkoord.

‘China kiest een andere koers en het Verenigd Koninkrijk loopt voorop met CO2-reductie’

Maar Rusland, land van olie, gas en delfstoffen, zet in op een neutraal geluid. Poetin zegt het Klimaatakkoord niet als bedreiging te zien. En China, het land met de grootste CO2 uitstoot, kiest duidelijk een andere weg. Dit land ziet het Klimaatakkoord samen met de EU als onontkoombaar. Zo heeft het de afgelopen jaren ingezet op groei van duurzame energie, met een omvang die de capaciteit van bestaande kolencentrales overtreft. Een pikant detail binnen de EU, is dat het Verenigd Koninkrijk met de Brexit voor de deur op dit moment voorop loopt bij het verminderen van de CO2-uitstoot. In dit land is al in 2008 een klimaatwet ingevoerd.

Kijken we naar de CBS metingen dan loopt Nederland in vergelijking met andere Europese landen al lange tijd achter met de aanpak voor schone energie en uitstoot van broeikasgassen. In 2015 hield Urgenda samen met veel burgers in de Klimaatzaak de Nederlandse staat voor dat ze zich aan de internationale klimaatafspraken moest houden. Na een hoger beroep van de Nederlandse staat op 9 oktober 2018 vorig jaar bekrachtigde het Hof in Den Haag de uitspraak van de Klimaatzaak uit 2015: omdat de Staat de burgers moet beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering, moet Nederland de uitstoot van broeikasgassen terugdringen met ten minste 25 procent ten opzichte van  1990*.

‘Burgerinitiatieven zijn belangrijk, maar niet voldoende om te voldoen aan het Parijse Klimaatakkoord.’

Dit wetende is het niet vreemd dat in onze provincies met de verkiezingen voor de deur investeringen in klimaatmaatregelen hoog op de agenda staan. Maar de eerste haperingen bij lokale initiatieven worden echter ook zichtbaar. Zo is daar bijvoorbeeld het recente nieuws over de vele lokale initiatieven voor zonne-energie in de provincies Groningen en Drenthe die stranden omdat er een gebrek is aan de hoeveelheid benodigde capaciteit op het elektriciteitsnet. Een voorbeeld dat de spanning tussen de Haagse koers en burgerinitiatieven blootlegt.

Hoe verder? Politiek protest biedt geen oplossing. Burgerinitiatieven zijn belangrijk, maar niet voldoende om te voldoen aan het Parijse Klimaatakkoord. Provincies bieden met hun regionale schaal kansen om samen met netwerkbedrijven en energieleveranciers een volgende stap te zetten. Hierbij is nationale (financiële) steun noodzakelijk. Voor bedrijven is een heldere koers hierin essentieel. Een actueel voorbeeld is het wel of niet kiezen voor CO2-opslag. De Rotterdamse haven ziet graag een bijdrage in de financiering van een pijplijn voor afvang van CO2 bij fabrieken en opslag in de Noordzee. Maar er zijn ook geluiden dat dit indruist tegen doelstelling van CO2-verlaging.

‘Provincies zijn een belangrijke schakel om burgers op lokaal niveau mee te nemen bij moeilijke beslissingen’

Na de klimaattafels is het nu de hoogste tijd voor nationale keuzes en daar waar nodig een debat met de samenleving. Laten we hier Frankrijk volgen, en leren van Engeland bij de klimaataanpak, maar tegelijkertijd goed kijken naar de negatieve gevolgen van een Brexit. Als de verwarming van de aarde in het huidige tempo doorgaat, zal voor alle Europese landen de vluchtelingendruk stijgen uit landen met extreme droogte en watergebrek. Reductie van de CO2 vraagt afstemming en samenwerking tussen landen. Ook voor de afbouw van fossiele brandstoffen, pijpleidingen en stroomnetwerken zijn landen afhankelijk van elkaar. En laten we het belang van het koesteren van Europese waarden niet uit het oog verliezen.

Een ‘vreselijke wet’, ‘geen klimaatprobleem’? Handen af van het Klimaatakkoord! Laten we onze borst maar nat maken, de verwachting is dat de uitvoering van het Urgenda-arrest, bovenop de afspraken in de Klimaatwet extra maatregelen onafwendbaar maakt. De klok loopt door en de druk op het maken van nationale keuzes wordt steeds groter. In lijn met de Omgevingswet zijn de provincies op regionaal niveau een belangrijke schakel om burgers op lokaal niveau mee te nemen in de niet eenvoudige keuzes die moeten worden gemaakt. Hierbij is een interessant gegeven dat volgens CPB-directeur Kim Putters onder de laagopgeleiden 70 procent vindt dat burgers meer moeten meebeslissen in een directe democratie. Populisme, prima, maar laat de leeuw niet in haar hempie staan. Echte mannen kiezen voor een leeuw met bij Nederland passende klimaatschoenen. Die durft de hele wereld aan.

Wonen rond de Veluwe heeft toekomst

Het woningtekort blijft maatschappelijk in de spotlights staan. Na de vraag binnen- of buitenstedelijk bouwen richten de pijlen zich in het debat nu op het inzetten op hoogbouw in de westelijk gelegen steden. Maar laten we niet vergeten dat Nederland groter is. Het is tijd te kijken naar de toekomstige bevolkingsontwikkeling in alle Nederlandse gemeenten. Een regio waar we nooit over horen is de rand van steden en dorpen rond de Veluwe. Na Amsterdam staat dit gebied met stip op 2 als we kijken naar de bevolkingsgroei de komende twee decennia.

Het gebied rond de Veluwe heeft een andere woningsamenstelling en dichtheid dan de meeste andere regio’s. Grofweg heeft Nederland zo’n 42 procent rijtjeshuizen, 43 procent vrijstaand/twee onder één kap woningen en 15 procent appartementen. Rond de Veluwe zien we meer vrijstaande woningen en een dichtheid die drie keer zo laag is als in het westen. Passend bij de westelijke hogere woningdichtheid zien we in Noord- en Zuid-Holland zo’n 30 procent  aan appartementen. Niet verrassend is dat in Noordoost-Nederland het aantal vrijstaande woningen het grootst is. En topper, ver boven het gemiddelde bij de rijtjeswoningen, is natuurlijk de jonge provincie Flevoland met Almere, als uitloper van het hoogstedelijke Amsterdam.

De meest rijtjeswoningen – relatief gezien – staan in Flevoland

Het woningtekort heeft niet alleen te maken met stagnerende nieuwbouw. Sloop en demografische veranderingen spelen net zo goed mee. Woningnood is niet nieuw. De term komt uit de tijd na de Tweede Wereldoorlog. Een periode met massaproductie en het snel realiseren van betaalbare huurwoningen. Aansluitend zien we in de jaren zestig en zeventig het groeikernenbeleid met een focus op de middelgrote steden, met een accent op rijtjeswoningen. In het begin van de jaren ’80 werden de nadelen van dit beleid zichtbaar. De werkgelegenheid bleef achter in deze groeikernen en de grotere steden zagen midden en hogere inkomens vertrekken naar deze middelgrote steden, met bijvoorbeeld gevolgen voor het voorzieningen niveau. Daarom is door het Rijk vanaf het begin van de jaren ’80 ingezet op stedelijke knooppunten en het compacte stadsbeleid met de Vinex-wijken als uitkomst.

Opvallend veel pensionados langs de Duitse grens

Kijken we naar het eigendom dan heeft Nederland zo’n 4,3 miljoen koopwoningen en 3,3 miljoen huurwoningen (waarvan ongeveer 2/3 in bezit is van corporaties). De stagnatie in de nieuwbouw de afgelopen jaren heeft zo ook positieve kant. We krijgen een steeds beter beeld van de veranderingen in de woningvraag de komende twintig jaar. De groeiende vraag naar middeldure huurwoningen zet door. Hiermee samenhangende belangrijke ontwikkelingen zijn de daling van het aantal gezinnen, de groei van kleinere huishoudens en nieuwe werkende migranten. Ouderen blijven langer in hun huis blijven wonen, in lijn met de nieuwe ‘Wet langdurige zorg’ uit 2015.

Kijken we naar de spreiding van woningen voor inwoners op pensioengerechtigde leeftijd dan is het opvallend dat op een aantal plekken langs de Duitse grens de aantallen fors boven het landelijk gemiddelde uitkomen. Naar ik vermoed wonen ze hier vaak in vrijstaande woningen. In de stedelijke regio’s is het aantal gepensioneerden juist relatief laag, zeker in het westen. Dit illustreert het belang om per regio scherp in beeld te brengen wat de huidige samenstelling van de woningvoorraad is en welke demografische ontwikkelingen men kan verwachten. Een minstens zo belangrijke opgave is om na te denken over gebieden buiten de stedelijke regio’s. Wat is de toekomst van de vrijstaande woningen langs de Duitse grens? Een groeiende langdurige leegstand, zoals in Oost-Groningen en delen van Limburg? Of gaat het mensen trekken vanwege het fraaie landschappelijk wonen in de nabijheid van stedelijke regio’s, als vaste woonplaats of als tweede woning, een trend die in delen van Limburg op dit moment al zichtbaar is.

In de groeikernen liggen grote kansen

Na de nationaal aangestuurde Vinex-periode staan we nu voor een pittige regionale opgave. In verschillende delen van ons land zien we op dit moment nog een stijgende woningvraag, maar krimp in de toekomst. Hier is het verstandig een deel van de huidige vraag op te lossen met tijdelijke en verplaatsbare woningbouw. Kijken we naar de tien stedelijke regio’s dan is het noodzakelijk om de ruimte en de betaalbaarheid te verkennen van verdichting in de bestaand stedelijk gebied.. Hier verdienen ook de groeikernen aandacht. Kijkend naar hun ligging, huidige dichtheid en de noodzaak om het OV en (elektrisch) fietsverkeer te stimuleren, liggen hier grote kansen.

Nu richt Den Haag zich op het versnellen van de nieuwbouw woningopgave. En ja, de steden zijn sinds de jaren ‘80 in de vorige eeuw weer in trek. Een mondiale trend, die ook in Nederland merkbaar is. Voor sommige steden is superhoogbouw vanuit een heldere visie dan een passende oplossing. En in gebieden waar landschappelijke kwaliteit schaars is, moet niet te veel (definitief) buiten het stedelijk gebied worden gebouwd. Onze Holland Metropool wordt met haar diverse regio’s geen New York of Shanghai. De kracht ligt in goede verbindingen tussen de tien regio’s met overal een passend groen buitengebied om de hoek. Ook het wonen rond de Veluwe heeft toekomst, zeker bij een versnelde zeespiegelstijging. Dan woont men daar hoog en droog.

Stop de begripsinflatie in gebiedsontwikkeling

Duurzaamheid, inclusie en democratie. Woorden die ook in gebiedsontwikkeling last hebben van begripsinflatie. Ze verliezen hun waarde en liggen steeds vaker onder vuur bij burgerprotesten. Dit terwijl de bijbehorende opgaven juist steeds urgenter worden.

Met stip op 1: duurzaamheid. Dit jaar verkozen tot het vijfde meest irritante woord bij de verkiezing ‘weg met dat woord’ van het  Instituut voor de Nederlandse Taal. Het eerste deel van het woord: ‘duur’ wordt door burgers geassocieerd met iets dat geld kost. Het is een woord geworden met te veel betekenissen volgens Barbara Baarsma (directeur Kennisontwikkeling Rabobank).

Begripsinflatie zien we ook bij het woord inclusie. Oorspronkelijk staat dit woord voor insluiting in de samenleving van achtergestelde groepen op basis van gelijkwaardige rechten en plichten. De laatste jaren zijn er echter diverse Engelstalige publicaties verschenen over de ‘inclusive city’. Boeken over het lokaal aanpakken van groeiende ongelijkheid in steden. Over ongelijke kansen, segregatie en een middenklasse waarvoor de huizen in aantrekkelijke buurten van creatieve steden onbetaalbaar worden. Herkenbare vraagstukken bij gebiedsontwikkeling. Maar net als bij duurzaamheid, wordt het steeds vaker gezien als containerbegrip. Zie het recente opiniestuk van Hans-Hugo Smit: Dag inclusieve stad!

Dan onze democratie. Dreigt ook hier begripsinflatie? Via vrije verkiezingen kunnen wij burgers invloed uitoefenen op de samenstelling en het beleid van onze regering en het lokale bestuur. Maar ondanks de decentralisatie en de groei van lokale partijen, ligt het aantal uitgebrachte stemmen bij lokale verkiezingen met zo’n 50% fors lager dan bij nationale verkiezingen (75%). Wat als deze dalende lijn zich verder voortzet? In 2021 wordt de nieuwe Omgevingswet van kracht.

Tijd om democratie en de andere aangehaalde begrippen af te serveren? Of zoeken naar andere woorden? Zoals de prijsvraag die Barbara Baarsma dit najaar lanceerde: een andere naam voor duurzaamheid. Op zoek naar een woord dat richting geeft en enthousiast maakt? Met als eerste ingezonden toppers: ‘Aardlief’, ‘Planet Proof’ en ‘Toekomstwaardig’…

Nee, ik denk niet dat hier de antwoorden liggen voor begripsinflatie. Pak de grote woorden ‘duurzaam’, ‘inclusief’ en ‘democratie’ aan. Ga het gesprek aan met elkaar over welke vorm past per opgave. Voor gebiedsontwikkeling: heldere nationale keuzes in afstemming met regionale initiatieven. Geef woorden de kleur van deze tijd en zorg voor heldere kaders. Broodnodig houvast bij veel lokale gebiedsuitdagingen en basis om te komen tot concrete resultaten. Aan maatschappelijke noodkreten – luister naar de Gele Hesjes – zal het kiezen voor deze koers niet liggen…

Mondiale macht: aan de slag met lokale kracht

We zitten midden in een fase van geopolitieke veranderingen. Internationale betrekkingen en machtsverhoudingen tussen landen verschuiven. Dit heeft invloed op de klimaataanpak, handel en migratie. Hier zien we grote verschillen in keuzes die landen maken. Welke weg kiezen Rusland, de VS en China, met haar grote delfstoffenvoorraad in de klimaatopgave? Hoe loopt het af met de handelsoorlogen van de VS? En welke vorm krijgt de afspraak van 192 Verenigde Naties lidstaten (niet de VS) om de wereldwijde migratie te reguleren? Drie grensoverschrijdende vraagstukken, die blootleggen hoe we omgaan met onze overbelaste planeet. En met gevolgen voor duurzame gebiedsontwikkeling.

Als eerste een voorbeeld bij de klimaatopgave. Op Europees niveau zijn voor 2020, 2030 en 2050 doelen gesteld voor vermindering van de CO2-uitstoot, energiebesparing en de ontwikkeling van hernieuwbare energie. Nederland was lange tijd een van de grootste aardgasproducenten van Europa, maar staat nu voor de energietransitie. Dit kunnen we niet alleen. Met de 325 kilometer lange Cobra-kabel zijn deze maand de elektriciteitsnetwerken van Denemarken en Nederland verbonden. Er zijn al dergelijke verbindingen met Duitsland, België, Groot-Brittannië en Noorwegen. Een mooie illustratie van de wederzijdse afhankelijkheid is de recente vraag van België aan haar buurlanden om stroomcapaciteit vanwege een mogelijk tekort aan elektriciteit dit najaar. Met de groei van zon- en windenergie zal deze uitwisseling van elektriciteit met buurlanden alleen maar toenemen.

Wederzijdse afhankelijkheid duurzame Europese stroomnetwerken

In aansluiting op bovenstaande ontwikkelingen zien we bij gebiedsontwikkeling een groei van lokale initiatieven. Voor energie is het grootste voorbeeld op dit moment het windmolenproject Krammer in Zeeland, tot stand gekomen en gefinancierd via burgers in twee windcoöperaties. Verder wordt op verschillende locaties gekeken wat een energiecoöperatie en netbeheerder voor elkaar kunnen betekenen in de energieketen. En zien we hoe huurders bij een woningcorporatie gestimuleerd worden om aandelen in zonnepanelen te kopen via een wijkenergiecoöperatie. Inzet: het betaalbaar houden van de energielasten voor burgers.

Dan de handelsfrictie tussen de VS, China en andere landen. We moeten de risico’s daarvan voor de wereldhandel in het vizier houden, maar óók voor gebiedsontwikkeling. Neem bijvoorbeeld de invoerheffingen op zonnepanelen vanuit de VS met als reactie vanuit China: goedkope zonnepanelen voor de Europese markt. Hier valt als Nederlands bedrijf lastig mee te concurreren en het heeft gevolgen voor hoe wij als organisaties, bedrijven en burgers hiermee omgaan: gaan we voor goedkoop, voor duurzaamheid of voor kwaliteit. Welke protectionistische maatregelen hebben de grootste impact op onze doelstellingen en de benodigde producten voor de komende jaren?

Bijna een kwart van de Nederlandse bevolking heeft een migratieachtergrond

Het derde punt is de migratie. Sinds 2016 (Jaarrapport Integratie) wordt niet meer gesproken over autochtonen en allochtonen, maar over personen met een Nederlandse of migratieachtergrond. Op dit moment heeft in Nederland 23 procent van de bewoners een migrantenachtergrond. Een ontwikkeling die we vooral in de West-Europese landen zien is een verdere stijging van de bevolkingsgroei als gevolg van de migratie. Dit is vooral zichtbaar in de grote steden. Rotterdam heeft inwoners uit ongeveer 240 verschillende landen. Het is dus niet zo vreemd dat we hier ook een verschil in waarden zien. Op welke factoren kunnen we dan bij gebiedsontwikkeling sturen? Hoe zorg je voor wijken waar iedereen zich prettig kan voelen, ongeacht of juist gegeven de afkomst?
Ik heb daar in een eerdere column al over geschreven.

Hoe burgers mee te nemen in de grote mondiale ontwikkelingen?

Niet alleen bij migratie en klimaatopgave, ook voor handel staan landen voor de vraag hoe burgers mee te nemen in de geschetste mondiale ontwikkelingen. Een mooie illustratie bij handel is de herdenkingstour op 11 november over het einde van de Eerste Wereldoorlog honderd jaar geleden. Tijdens deze tour zagen we, als gevolg van dalende koopkracht en stijgende energieprijzen botsingen tussen de Franse president Macron en gewone burgers, onder meer werkzaam in de auto-industrie. Macron vertelt over de stijgende olieprijs en geeft aan dat zijn regering de diesel zwaarder belast om koop van schonere auto’s te stimuleren. Afsluitend zei hij: ‘We moeten er samen een succes van maken’. Een mooie uitspraak, maar na zijn bezoek wordt de groep protesterende mensen in gele hesjes alleen maar groter. De boodschap om er samen een succes van te maken is niet eenvoudig in deze tijd.De klimaatopgave en mondiale handelsfricties leiden tot onzekerheden in de wereldeconomie en hebben zeker voor deze protesterende burgers effect op hun bestedingsruimte.

Kijken we naar burgerprotest bij gebiedsontwikkeling, dan staan wij ook voor deze uitdaging. De onzekere tijd door de mondiale macht, vraagt aandacht voor lokaal vertrouwen en oog voor de lokale kracht!

Impact van onzichtbare data op onze leefomgeving

Maatschappelijk en economisch worden we steeds afhankelijker van digitale technologie. Begrippen als ‘Smart City’ en ‘Internet of Things’ (IoT) komen bijna dagelijks langs. Maar naast kansen zien we steeds vaker de schaduwkanten van deze deels onzichtbare wereld. Denk aan cyberaanvallen, zogenaamde transparantie in het politieke domein, en de omgang met alle verzamelde data.

Als eerste de cyberaanvallen. Een bekend voorbeeld zijn overbelaste servers van banken met als gevolg niet werkende online diensten. Of denk bij vervoer aan het platleggen van een containeroverslagbedrijf in de Rotterdamse haven. Ander voorbeeld: de risico’s van digitale aanvallen op stroomnetten en drinkwaterbedrijven. Personeel en opleiding zijn hierbij essentieel. Zo kwam recent naar buiten dat de digitalisering van ons stroomnet gevaar loopt vanwege een personeelstekort. Dat komt bovenop de hobbel van de omslag naar duurzame energie. Kennis en inzicht over mogelijke cyberaanvallen zijn onontbeerlijk.

Een andere schaduwkant zien we in het politieke domein. We horen steeds vaker berichten over ‘nepnieuws’. Hoe verhoudt dit zich tot onze democratie? Een actueel voorbeeld hiervan is de Vijfsterrenbeweging in Italië, die inzet op directe democratie via het geven van reacties op voorstellen op internet. Wat er echter gebeurt met deze online reacties is niet altijd duidelijk.

Als derde een punt waar we veel over horen: het achter de schermen verzamelen en analyseren van data. Kenmerkend hierbij zijn de grote omvang, de snelheid en de diversiteit van typen data en bronnen. De uitdaging is te komen tot bruikbare informatie. Denk aan het volgen van iemand in de stad via zijn mobiele telefoon. Dit geeft voor de gebruiker onmerkbaar inzicht in datagebruik en reis- en winkelgedrag. Een tastbaarder voorbeeld is het verkrijgen van meer inzicht in de parkeerdruk en bewegingen in de stad. De gemeente Eindhoven kiest ervoor om een platform voor elektrische deelauto’s een sterk gereduceerd parkeertarief te geven. Als tegenprestatie deelt het bedrijf zijn data over het gebruik van de auto’s met de gemeente. Dit sluit mooi aan bij de door de gemeente in 2015 opgestelde 8-regelige datacode, dat kaders geeft voor dataverwerking in de openbare ruimte.

Zomaar drie invalshoeken die een tipje van de sluier oplichten. Daarnaast zijn er ook combinaties van digitaal gebruik en fysieke tastbaarheid. Zo zit Nederland met zo’n 80% online winkelaankopen in de top 5 van Europese landen. Twintig jaar geleden startte Bol.com als webwinkel. En met Picnic hebben we – naast online services van diverse supermarkten – een volledig digitale supermarkt (die overigens zeer zichtbaar is dankzij minibusjes in de openbare ruimte). De omzet van fysieke supermarkten is nog geen twee keer zo groot als die van de digitale varianten.

Een andere digitale ontwikkeling met fysieke zichtbaarheid, is het nieuwe mobiele netwerk 5G. Het verschil met de vierde generatie is de veel hogere snelheid. Om de mogelijkheden hiervan te verkennen, heeft Groningen een proeftuin 5G: lantaarnpalen met sensoren om elektrische auto’s op te laden, WiFi-antennes, slimmer regelen van het verkeer en meten van de luchtkwaliteit en geluid. Al deze voorbeelden laten zien dat de onzichtbare wereld steeds meer een gezicht krijgt en vraagt om een actieve overheid en passende opleidingen.

Bovenstaande ontwikkelingen nemen nog een bescheiden ruimte in. Zichtbaarheid van de digitale wereld op een veel grotere schaal is op komst. Vestigt het distributiecentrum van de Chinese webwinkel Alibaba zich in Zuid-Nederland? Dit logistieke bedrijf heeft een omvang van zeker 50 voetbalvelden. Het Nederlandse Bol.com heeft plannen voor 200.000 vierkante meter in Waalwijk. Een ander voorbeeld zijn de ‘hyperscale’-datacentra in de Wieringermeer, onderdeel van de Amsterdamse regio, met een nummer-2-positie in Europa. Op het bedrijventerrein Agriport A7 in de Wieringermeer zijn ’serverflats’ tot veertig meter hoogte toegestaan voor opslag en distributie van digitale informatie. Naast Microsoft vestigt Google zich hier binnenkort ook zichtbaar.

De namen van al deze bedrijven kent iedereen, maar wat is hun betekenis? Niet alleen in economisch opzicht, maar ook in breder perspectief. Wat leveren ze ons op en wat betekenen ze voor omwonenden? Waar kiezen we voor in een land met steeds schaarser wordende ruimte?

Het lijkt me een mooi moment om de bril van Kate Raworth op te zetten. Deze Britse econoom geeft in haar boek Donuteconomie aan dat economische groei onze planeet in gevaar brengt. Ze pleit ervoor om de economie te laten balanceren tussen een ecologische bovengrens en een sociale ondergrens. Dit perspectief kan ook houvast geven voor het gezamenlijk opstellen van bij Nederland passende publieke waarden en onze schaarse ruimte. Of volgen we China, waar het collectieve boven het individuele belang staat? In Shenzhen wordt iedereen gefilmd die een voetpad oversteekt. Na vijf keer oversteken bij rood licht, kom je op een zwarte lijst. In veel gevallen betekent dat verhuizen naar een andere stad…

Deze column verscheen eerder op ROmagazine.nl

Wat worden de Deltawerken van het Klimaatakkoord?

Volgens het Planbureau voor de leefomgeving zijn de voorstellen voor het Klimaatakkoord technisch haalbaar. Maar spreken ze voldoende tot de verbeelding? En geven ze voldoende houvast? Een terugkerende vraag is: wie gaat welke investering doen?

De vakgroep Artificial Intelligence (AI) van de Universiteit van Amsterdam presenteerde recent een programma dat de kansen van een start-up kan voorspellen (score 62%). Welke factoren bepalen of er wordt geïnvesteerd? Hoe neem je een beslissing als je met veel onzekere factoren te maken hebt? Een van de eerste lessen volgens hoogleraar kunstmatige intelligentie Maarten de Rijke is dat je beter op een sterk concept kan inzetten dan op mensen.

Een sterk concept, een herkenbare factor in ons vakgebied. Zo zijn de polders en Deltawerken sterke nationale concepten. Recente bijpassende investeringen zijn de datacentra Agriport in de Wieringermeerpolder. Of ten tijde van de Deltawerken, het open houden van de verbinding met de haven in Rotterdam, vanwege het economische belang. Een ander sterk concept in deze stad: het basisplan voor de wederopbouw. De sturende ruimtelijke basiselementen hierin zijn tot vandaag de dag tastbaar. Denk aan de verlegde hoofdwaterkering aan de Maasboulevard, de Coolsingel als het nieuwe centrum en de ruimte voor verkeer. Een uitzondering was de keuze na de oorlog voor een beperkt woningbouwprogramma. Maar dit biedt nu in het centrum investeringskansen voor hoogbouw en verdichting.

Dankzij de ‘smart city’ beschikken we over tal van data over inwoners, parkeerplaatsen, energieopwekking en -verbruik etc. Net als in het AI-onderzoek wordt met algoritmes gezocht naar patronen. Informatie om tot keuzes te komen. Wat als we met de bril van het UvA programma naar het Klimaatakkoord kijken? Een voorzet. Over welke actuele maatschappelijke opgaven wordt het meest gesproken? Wat is de frequentie van bepaalde opmerkingen hierover (bijvoorbeeld ‘kabinet aan zet’ versus ‘oproep private investeringen’)? Hoe wordt gesproken over het bestuur en samenwerkingen?  Wat is de impact van inhoudelijke data (deels al beschikbaar)? Welke informatie halen we uit patronen van management, investeringen en relevante eerdere overeenkomsten?

De klok voor het Klimaatakkoord tikt door. De Vereniging Deltametropool deed – met inspirerende voorbeelden – recent een oproep voor een aansprekende nationale ruimtelijke visie. Het is tijd voor een dergelijk sterk concept om de investeringen te stimuleren, een mooie les uit de wereld van Artificial Intelligence.

‘Hou woningen betaalbaar met koppeling aan energietransitie’

De Nederlandse economie gaat goed, beter zelfs dan die van veel andere Europese landen. Toch dreigt ook stilstand in ons welvarende land. De gaskraan in Groningen gaat dicht, maar hoe nu verder?

Beste meneer Wiebes, in het kader van Prinsjesdag: we zien te weinig beweging in gebiedsontwikkeling, gegeven de forse opgaven. Niet zozeer aan de kant van ambities en visies, maar vooral in het tempo en de uitvoering. In de bouwsector zien we na een periode van stijgende productie stagnatie. De prijzen van bouwmaterialen stijgen, er is een tekort aan arbeidskrachten en projecten vertragen. Mede hierdoor loopt het aanbod op de woningmarkt achter op de vraag. Voor starters zit de markt helemaal muurvast. Lenen is lastiger geworden en het aanbod is beperkt. Ouderen blijven langer in hun eengezinswoning, waardoor de doorstroming niet op gang komt.

De uitvoering hapert en dreigt vast te lopen. Er zijn veel weerstanden bij burgers, bijvoorbeeld tegen windmolenparken in Groningen en Drenthe. Of tegen de bouw van windmolens in de Wieringermeer, broodnodig voor nieuwe datacentra. Hier zien we een pittig onderhandelingstraject met diverse agrariërs. In gebiedsontwikkeling zien we zowel aan de publieke als private kant de effecten van de crisis na-ijlen. Er wordt voorzichtig omgegaan met grote risicovolle investeringen. Aan de publieke kant zien we dit bij het voorzichtig en kleinschalig bouwrijp maken van de grond en aan de private kant in het kleinere en kortere kapitaalsbeslag bij projecten. Kortom, het is tijd voor andere perspectieven. Waar liggen vragen en kansen, niet alleen voor de woningmarkt, maar in samenhang met de forse urgente maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie?

Slimme verbinding

Een eerste inspirerend voorbeeld zien we in Utrecht. De jaren zestigwijk Overvecht is een van de eerste waar de gemeente inzet op energietransitie. In dit type wijken staan relatief veel dezelfde type corporatiewoningen. De transitie blijkt geen eenvoudige opgave. Die roept bij de bewoners veel weerstand op, maar draagt wel bij aan de urgente en forse totaalopgave. Nederland kent veel wijken van dit type. Vaak met diverse problemen, mede door de eenzijdige woningsamenstelling. Een slimme verbinding met de energietransitie houdt de woningen voor de lagere inkomens betaalbaar. Daarnaast biedt dit kansen om het aantal en de diversiteit van het binnenstedelijke woningaanbod groter te maken. De noodzakelijke burgerbetrokkenheid bij de energietransitie maakt het mogelijk urgente opgaven uit het sociaal domein mee te nemen. Denk aan gezonder eten en het stimuleren van bewegen via de inrichting van de openbare ruimte. Voor koopwoningen is een vergelijkbare aanpak denkbaar in de vele bloemkoolwijken die Nederland heeft.

Als tweede een voorbeeld over slim investeren, over de vraag hoe we voorkomen dat beleggingskapitaal naar het buitenland vloeit. Rotterdam biedt letterlijk en figuurlijk ruimte. Hier wordt met dit kapitaal de omvangrijke kantorenleegstand omgezet naar onder architectuur gebouwde superhoge woontorens. Het debat hierover is volop gaande, niet op alle locaties zijn omwonenden blij met deze hoogbouw. Protest gaat over de stijgende hoogte, de strijd voor het behoud van het eigen uitzicht, maar ook over het bereikbaar houden van wijken. Kijkend naar de relatief lage dichtheid in het centrum, draagt het verhogen van de bewonersdichtheid daarentegen bij aan het voorzieningenaanbod. Ook de groeiende stedelijke levendigheid en bijbehorende werkgelegenheid worden door inwoners positief ontvangen. Maar wordt hier nu voldoende gestuurd op een circulaire aanpak met bijvoorbeeld slim hergebruik van het sloopmateriaal?

Grotere diversiteit aan opgaven

Dan als derde voorbeeld de opgave voor het buitenstedelijk gebied. Woonwensen, beperkte verdichtingsmogelijkheden binnenstedelijk plus de klimaat- en energieopgaven vragen hier om een nieuwe blik. Bereikbaarheid en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit zijn hiervoor goede afwegingscriteria. Wie pakt hier de pen op en maakt de moeilijke keuzes?

Zomaar drie voorbeelden. Bij de Vinex-wijken zagen we voor de crisis een voortvarende aanpak met de omslag naar de uitvoeringsplanologie. De Omgevingswet sluit aan bij de huidige veel grotere diversiteit aan opgaven en belangen. De druk op burgers neemt hierbij toe. Hogere energierekeningen en na een droge zomer hevige regenval met onderlopende kelders. Plus bijkomende vragen: bent u al van het gas af? Of heeft u al een elektrische auto? Sport u wel genoeg? Bij iedereen groeit het bewustzijn, maar kijkend naar de voortgang gaat het tergend traag. Gedragsverandering is taai…

Verwachten we niet te veel?

Het rapport Thuis in de toekomst van de Neprom geeft concrete handreikingen voor de geschetste forse ruimtelijke opgave. Maar hoe verhogen we het tempo? Hier is geen eenduidige oplossing voor. Kijkend naar de digitale communicatiemogelijkheden van deze tijd, technologische innovaties en de economische voorspoed zouden we de vaart toch weer in gebiedsontwikkeling moeten kunnen krijgen. Je vraagt je af of het gevoel van urgentie wel groot genoeg is, en of er niet teveel van burgers wordt verwacht. Natuurlijk zijn er inspirerende burgerinitiatieven, maar die zijn een druppel op een omvangrijke gloeiende plaat.

Onze Deltacommissaris Wim Kuijken neemt afscheid. Zijn inspanningen in samenwerking met regionale teams laten zien dat met harde deadlines vanuit het Rijk en leiderschap met durf, het samenbrengen van de benodigde kennis en het maken van soms moeilijke keuzes de uitvoering in beweging komt. Een mooie les, die om een breder vervolg vraagt. Mensen maken verschil. Als minister van Economische Zaken en Klimaat is het – na het sluiten van de gaskraan – de hoogste tijd om samen met collega-ministers en diverse regio’s ons welvarende land tot een duurzame aanpak en uitvoering te brengen.

Zo verduurzaam je via gebiedsontwikkeling

COLUMN Wie gaat in Nederland nu écht aan de slag met onze achterstand bij milieu-, energie- en klimaatvraagstukken om tot een duurzame wereld te komen?

Uit recent CBS-onderzoek blijkt Nederland binnen Europa op deze gebieden nog steeds achteraan te bungelen. Aan nationale en lokale publieke doelstellingen geen gebrek. Duurzaamheid is hip en staat in vele collegeakkoorden. Maar hoe komen we in een hogere versnelling tot een realistische uitvoeringsagenda? In gebiedsontwikkeling kan je deze weg niet vinden zonder een slimme verbinding met de woningbouwopgave, regionale perspectieven en investeringsfondsen. Plus op het juiste schaalniveau: met betrokkenheid, maar vooral ook gedragsverandering van bewoners, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Een andere uitdaging: het huizentekort loopt tot 2025 op tot zo’n 600 duizend. Met de Nationale Woonagenda zet minister Ollongren van Binnenlandse Zaken in op 75.000 nieuwbouwwoningen per jaar. Ook als we uitgaan van een hogere woningdichtheid, kan hiervan maximaal 55% binnenstedelijk worden gerealiseerd.

Hoe geven we invulling aan al deze opgaven en worden we weer koploper? Waar liggen kansen voor vernieuwende en duurzame oplossingen?

Een inspirerend voorbeeld op nationaal niveau zijn de vorm en aanpak van de Deltacommissaris. Deze in de Deltawet verankerde regeringscommissaris stelt jaarlijks een Deltaprogramma op tegen hoogwater en voor voldoende zoetwater. Laten we, passend bij de Omgevingswet, de vraagstukken voor klimaatproblemen, milieu (inclusief mobiliteit) en energie op vergelijkbare wijze aanpakken én koppelen aan de woningbouwopgave, inclusief input vanuit de regionale investeringsfondsen. Dit draagt bij aan de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke gebiedsconcepten die tevens cruciale gedragsverandering van burgers stimuleren. Relevante consumptiepatronen voor gebiedsontwikkeling zijn daarbij: mobiliteit (lagere parkeernormen, elektrische (deel)auto’s, minder vliegen en meer OV), gas- en elektriciteitsverbruik (gasloos, regionaal passend, stimuleren buurtinitiatieven en -beheer) en circulair (hergebruik, afvalvermindering en gesloten kringlopen). Dit alles is essentieel voor een noodzakelijk groot en direct effect op ons klimaat, zoals de CO2-uitstoot!

Ter inspiratie en stimulans dragen we als SKG graag bij met een nieuwe editie van de rapportage ‘Duurzame gebiedsontwikkeling, doe de tienkamp’, vol tips en voorbeelden. De publicatie wordt op 27 september uitgebracht tijdens een kennisbijeenkomst in Rotterdam. Voor mij is dat het moment om, vanwege mijn ziekte, stil te staan bij mijn afscheid als directeur van de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling. Als strategisch adviseur blijf ik verbonden aan de SKG en de TU Delft. Met mijn columns en opiniestukken blijf ik een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat. Zo hoop ook ik mee te werken aan een duurzamere wereld.