Depot Rotterdam: van kritisch tot kansrijk

Soms ben je kritisch op een voorgenomen ontwikkeling en pakt die achteraf toch goed uit. Agnes Franzen zette in 2015 haar vraagtekens bij de financiering van het Depot-gebouw in Rotterdam, maar ziet nu dat het waarde heeft voor de hele stad. “Gemeente, blijf je controlerende taak serieus nemen.”

In 2015 jaar schreef ik samen met Friso de Zeeuw (toen nog hoogleraar Gebiedsontwikkeling aan de TU Delft) in NRC een kritisch stuk over het door MVRDV ontworpen ‘Depot’ in Rotterdam. Dit gebouw is bedoeld als archief van het Museum Boijmans van Beuningen. Daarnaast biedt het gebouw een route om deze hele collectie te bezoeken. Uniek, want er is wereldwijd geen museum met eenzelfde mogelijkheid. Daarnaast heeft het gebouw een openbaar dakterras. De kritiek in 2015 richtte zich voornamelijk op de financiële kant. Ondanks private steun voor de korte termijn, vraagt dit gebouw om financiering met een lange adem.

Depot gebouw in aanbouw

Waarom opnieuw een stuk over dit gebouw? Dat betreft een bekentenis over de publieke waarde die het Depot voor de stad heeft. Het gebouw in aanbouw trekt namelijk nu al veel toeristen. Veel van hen zijn overweldigd. Het geeft met de spiegels aan de buitenkant een prachtig beeld van de verschillende kenmerken van Rotterdam. Samen met het (nog te openen) dakterras kunnen bezoekers een persoonlijk verhaal over Rotterdam vormgeven: eerst door te kijken in ‘de spiegels’, vervolgens door op het dakterras in 360 graden de hele stad te aanschouwen.

Een tweede punt van kritiek was de aantasting van het park van Bruno Brunier. Die aantasting werd toentertijd door vele mensen gerelativeerd. Het te bebouwen deel was volgens Boijmans-directeur Sjarel Ex een ‘grindbak’. De gemeente heeft er inmiddels voor gekozen om een groter gebied rond het Depot te vergroenen. Hier zie ik een uitdaging voor een landschappelijk architect om meer recht te doen aan het oorspronkelijk ontwerp, dat vier delen bevat met ieder een eigen identiteit. Nu lijkt het oorspronkelijk ontwerp van Brunier een vierde groene deel te krijgen, iets dat de bezoekers van het Depot kunnen ervaren als een amoebe vorm. Dat past niet bij de vier vierkanten met ieder een eigen landschappelijke invulling.

Het gebouw opent naar verwachting in 2021. De bezoekers zullen zeker de eerste jaren helpen om de exploitatie rond te krijgen. Daarnaast heeft het aantrekken van bezoekers een positieve waarde voor de hele stad. Niettemin blijft een kritiekpunt overeind, namelijk wat de exploitatie van dit gebouw betekent voor andere gebiedsontwikkelingen. De gemeente wil namelijk ook investeren in andere grote projecten, zoals een nieuwe brug of tunnel als verbinding tussen de wijken De Esch en Feijenoord, de transformatie van het Merwevierhavengebied naar een maakstad, en in een (stevig bediscussieerd) nieuw Feyenoord-stadion. De gemeente moet daarom haar controlerende taak serieus blijven nemen en aandacht houden voor de exploitatie van het Museum Boijmans van Beuningen met het Depot-gebouw, aangezien de bijdrage van de gemeente niet meer beschikbaar is voor andere stedelijke investeringen.

Protest !

Na een relatieve stille periode, zien we sinds de kredietcrisis een groei van protesten. Wereldwijd komen burgers steeds vaker met een kritisch geluid richting de politieke leiders. Vandaag de dag gaat er zelden een week voorbij zonder geluid vanuit de samenleving over hun toekomst. Denk aan het protest in de vorm van yoga-bijeenkomsten op straat tegen het wanbeleid en corruptie van de regering in Libanon. Een beeld dat je bij blijft. Net als de vechthouding in Hong Kong tegen China of de protesten in Bolivia en Rusland. En na het gele hesjes protest in Frankrijk, nu ook in Iran protest tegen de brandstofverhoging van 50 procent.

Waar Frankrijk, via loting, burgers heeft uitgekozen om mee te denken over de terugstoot van CO2 en de verhoging van brandstofprijzen werd in Iran na het protest het internet voor 24 uur afgesloten. Niet alleen mondiaal ook binnen Europa zien we verschillende reacties op protesten. Waar Frankrijk kiest voor het betrekken van burgers, staat in Polen de onafhankelijkheid van de rechtspraak onder druk. Hiermee ligt ook democratie onder vuur, het volk is niet langer de bron van legitieme machtsuitoefening.

Kortom burgers in beweging. Strijd is van alle tijd, maar nu zien we mondiaal, nationaal en lokaal overeenkomsten. Terugkerende onderwerpen zijn: aandacht voor de democratie, economische ongelijkheid en een groeiend protest tegen de trage klimaataanpak. Binnen Europa staat de democratie met burgerrechten onder druk in landen als Polen, Hongarije en Bulgarije.

Democratie ontstaat niet vanzelf, het vraagt continue om aandacht en een passende invulling van het leiderschap. Economische ongelijkheid zien we in alle landen, en ook een verschuiving in het politieke landschap, met meer versplintering en de opkomst van de ‘single-issue’ partijen. In Noordwest-Europa zien we een opvallend groeiende hoeveelheid jongeren – Gretha Thunberg voorop – die strijden voor het daadwerkelijk aanpakken van de klimaatproblemen.

Het strijdtoneel zorgt ook in Nederland voor maatschappelijke spanningen, getuige de burgers die in Amsterdam protesteerden tegen de klimaatbeweging en zijn opgepakt. Of de boeren die met hun tractoren de grootste file ooit veroorzaakten om op het Malieveld in Den Haag te protesteren tegen de aanpak van de stikstofproblematiek voor hun sector. De stikstofproblematiek raakt veel boeren die in de buurt van Natura 2000-gebieden wonen, bij gebieden die al langer onder druk staan. Tot nu toe gaf de regelgeving hen wel enige ruimte en flexibiliteit, maar na de stikstofuitspraak van de Raad van State en het dreigende strakke overheidsbeleid wordt dat lastiger, zo niet onmogelijk. Met de vergrijzing staat ook de zorg onder druk. Mede hierdoor kwamen recent ook de verplegers en verpleegsters in actie.

Een andere vorm van spanning is een gevolg van activiteiten waar sprake is van  geweld. Denk aan de boeren die woedend het provinciehuis in Groningen binnendringen, de aanhoudingen tijdens het ‘bouwprotest, de Pietendemonstratie in Friesland en de knokploegen tegen de ‘kick-out zwarte piet’-beweging.  

‘De oplossing voor single-issue onvrede is nooit een single-issue beleidsmaatregel’

Volgens Wikipedia is protest: ‘het uitdrukken van negatieve gevoelens omtrent bepaalde politieke of maatschappelijke problemen. Op deze manier hopen mensen een verandering in de samenleving te bewerkstelligen.’ Het belang van protest is dus dat partijen gehoord kunnen worden en dat gewezen wordt op mogelijke misstanden. Daarnaast is het van belang dat het niet alleen gaat om het uiten negatieve gevoelens, maar ook om positieve acties die kunnen leiden tot verandering in de samenleving. De aangehaalde voorbeelden betreft vaak single-issue onvrede (Wij zijn tegen! Wij zijn voor!). De oplossing voor deze single-issue onvrede is echter nooit een single-issue beleidsmaatregel. Op nationaal niveau vraagt dit om doortastende besluitvorming.

Veel traditionele partijen zien dat de langgekoesterde ideologieën onder druk staan. De trend van ‘single-issue’ partijen vraagt de traditionele partijen om te vernieuwen. Dit om te voorkomen dat er alleen gereageerd wordt op incidenten en op losse deelbelangen. Veel politieke partijen staan hiermee voor een herijking van hun ideologie, mede vanuit een lange termijnvisie. Dit biedt kansen voor de grote ruimtelijke opgaven waar we voor staan. Hierbij is multilaterale aanpak van zeer grote waarde, al kan een ‘single-issue’ breekijzer een grote ruimtelijke opgave ook weer in beweging brengen.

Het zijn trends die ook de gebiedsontwikkeling raken. Gebiedsontwikkeling heeft een traditie van het samenbrengen van – soms tegenstrijdige – belangen. Hier kunnen andere sectoren van leren. Tegelijk staat deze integrale aanpak ook onder druk. Na een tijd van multilaterale overeenkomsten wordt er wereldwijd nu steeds vaker gekozen voor bilaterale overeenkomsten. Gezien de diverse relevante beleidsvelden die aan gebiedsontwikkeling raken, moeten we ook hier mee leren omgaan. De stikstofcrisis illustreert dat in ons kleine land heldere en soms harde keuzen onvermijdelijk zijn. Protest hoort hierbij, maar voorkom polarisatie. Onze democratie vraagt onderhoud. Naast passende en heldere wetgeving zijn debat en het voeren van gesprekken over gemeenschappelijke publieke waarden een belangrijke sleutel. Een mooie kans voor gebiedsontwikkeling. Met haar ervaring vervult ze een voortrekkersrol. Met als kracht hoe in te spelen op de huidige en toekomstige werkelijkheid.

Willen we een no-deal landschap?

Laat de NOVI geen serie van ‘no deals’ worden, met Belgische landschappen tot gevolg. Laten we voor forse ruimtelijke uitdagingen als de energietransitie, de woningbouw en de stikstofcrisis gaan voor ‘go deals’, stelt Agnes Franzen in haar column in ROMagazine.

Deze zomer was ik aan de kust van Zuidwest-Engeland. Een gebied met veel vergane glorie. De badplaatsen waren voor de Engelsen populaire vakantiebestemmingen tot de jaren tachtig. Maar langzaamaan trokken veel mensen steeds vaker naar de Turkse en Spaanse kusten. Een ontwikkeling die we nu zien bij bedrijven: honderd bedrijven hebben vanwege de onzekerheid rond de Brexit de keuze gemaakt om uit Groot-Brittannië te vertrekken. Dit aantal groeit. De bedrijven vrezen een no-deal Brexit, waardoor hun toegang tot de Europese markt uitermate lastig zou kunnen worden.

Cover: Landschap windmolens_Photo by Niels Bosman on Unsplash

Deze ontwikkeling brengt me op de vraag welke deals voor de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn te maken. In een ideale situatie komen uiteenlopende disciplines en bestuurders tot een gemeenschappelijke ruimtelijke visie en uitwerking. Dit lijkt eenvoudig, maar is het vaak niet. Ook de zoektocht naar voldoende investeringsgeld en waar dan met prioriteit in te investeren, is een forse uitdaging. Les van de Brexit: soms is het noodzakelijk om je eigen vak of je eigen politieke belang te overstijgen. Denk niet als alleswetende of alleen vanuit macht. Niet alles is direct op te lossen. Soms zal de (regionale) overheid tegen de haren instrijken van lokale spelers, in andere gevallen is het beter te kiezen voor een pauze.

Leen Verbeek (PvdA), Commissaris van de Koning in Flevoland, verwoordde dit in een gesprek dat ik laatst met hem had glashelder: ‘dat je weliswaar altijd moet proberen bij tegenstellingen partijen tot overeenstemming te brengen. Echter in de huidige polariserende samenleving moeten we ook onder ogen zien dat er moed voor nodig is om te concluderen dat een compromis niet haalbaar is. In de afweging is het nemen van een besluit dan vaak van een hogere orde, dan de ambitie van een compromis.”

Een actueel voorbeeld van de hogere orde in een ander domein is het verschil van mening tussen minister Ingrid van Engelshoven en diverse universiteiten over hoe het rijksgeld het beste kan worden verdeeld. De minister legt op advies van de Commissie-Van Rijn met de beschikbare financiering voor het hoger onderwijs het accent bij bèta- en techniekstudies. Dit vanwege de grote vraag op de arbeidsmarkt naar deze kennis en voor een sterke concurrentiepositie met het buitenland.

De wetenschappers en de minister zijn het eens dat universiteiten minder met elkaar moeten concurreren. De protesten richten zich voornamelijk op het beperkte budget en het accent op de bèta- en techniekrichtingen wat betreft de verdeling van de beschikbare middelen. Dit helpt volgens de medewerkers van de universiteiten niet om de samenwerking tussen disciplines te stimuleren en over je grenzen heen te leren denken en werken.

Of het nu gaat om de toekomst van de universiteiten of de NOVI, het Brexit-drama maakt duidelijk dat er veel verloren gaat als men blijft hangen in politieke strijd. We staan voor majeure opgaven met het energievraagstuk, het woningtekort en de toenemende macht van nieuwe mega-bedrijven. Eerder schreef ik over de opkomst van de digitale reuzen in de Wieringermeerpolder in ruil voor agrarische gronden. En recent agendeerden Joks Janssen en Cees-Jan Pen het willekeurige landen van grote bedrijfsdozen in het landschap van Noord-Brabant. De dozen leveren werkgelegenheid op, maar te weinig wordt nagedacht over de omvang, waar en hoe je ze plaatst of hoe je ze koppelt aan de energieopgave.

Recent is hier de programmatische aanpak stikstof (PAS) bijgekomen. De boodschap van D66 is om de veestapel te halveren. Koeien in de wei mogen blijven, maar varkens en kippen, daar hebben we er veel te veel van. Op de vrijkomende plekken kunnen we de broodnodige nieuwe woningen. Zo zien we al koop van stikstofrechten van boerenland om woningbouw mogelijk te maken. Een nadeel voor de één kan voordelen voor de ander brengen. Overigens reageerde CU minister Carola Schouten kritisch, gezien het lopende stikstofonderzoek onder leiding van oud-minister Remkes.

Het huidige Nederland staat voor een veelal nog onderschatte en zeer omvangrijke ruimtelijke transformatie met lastige beslissingen. Laat de NOVI geen serie van no deals worden, met Belgische landschappen (denk aan de route Brussel-Antwerpen) tot gevolg. Een no deal is soms onvermijdelijk, maar laten we voor de forse ruimtelijke uitdagingen als de energieopgave, het woningtekort en de PAS gaan voor ‘go deals’.

Samenwerking van diverse partijen om tot een goed perspectief te komen is één, maar zorg ook voor een haalbare investeringsstrategie. Voorliggende opgaven vragen om harde keuzes, iets wat lange tijd niet nodig was. Soms is hierbij in de woorden van Commissaris Verbeek een hogere orde besluit nodig. Protest hoort erbij en kan mede richting geven voor dit type besluiten om een koers en geld te regelen. Laat de Brexit hierbij een les zijn, blijf niet hangen in de politieke strijd. Stuur met de NOVI op economische en duurzame haalbare doelen en verlies de waarde van de ruimtelijke kwaliteit in ons kleine polderland hierbij niet uit het oog.

Agnes Franzen over ouderenhuisvesting: “Wacht niet op elkaar, begin gewoon”

Agnes Franzen benadrukt graag de innovatiekansen die de opgave van ouderenhuisvesting biedt. Als strategisch adviseur gebiedsontwikkeling aan de TU Delft raadt ze overheden en ontwikkelaars aan buiten de deur te kijken. “Bedenk samen met bewoners, ondernemers en zorgorganisaties nieuwe concepten. Het is immers onze gezamenlijke verantwoordelijkheid de optimale condities voor wonen te creëren.”

Interview door Marit Overbeek

1. Hoe wil de zilveren generatie wonen?

“Niet op een, maar op allerlei verschillende manieren. Je hoort over ‘seniorendorpen’ naar Amerikaans model, dat vindt een bepaalde groep vast ideaal. Ook zijn er mensen die gemeenschapszin belangrijk vinden en veel invloed willen op hun toekomstige woonomgeving, die bouwen bijvoorbeeld via Collectief Particulier Opdrachtgeverschap. Mooie aan bijvoorbeeld het initiatief Knarrenhof is de diversiteit in leeftijden: niet alleen zeventigplussers, ook jongere mensen. Zij willen elkaar helpen en samen het hofje beheren. Maar dat ligt niet iedereen.”

2. En als je niet ‘samen’ wilt?

“Vermogende ouderen kunnen zelf zorg aan huis regelen. Mensen die dat niet kunnen betalen en nog vrij zelfstandig zijn, help je door in hun woongebouw of wijk veel voorzieningen te bieden. Zoals winkels of wijkcentra voor ontmoeting, activiteiten en gezamenlijk eten. Dat geeft rust, veiligheid en gezelligheid. Of door domotica in huis aan te brengen, als er tenminste mantelzorgers in de buurt zijn.

Dit zijn ook prikkels om mensen te laten doorstromen. De meeste ouderen verhuizen pas als het te laat is, soms met tragische gevolgen: terechtkomen in een verzorgingshuis ver weg van je kinderen. Bij professionals is de urgentie op dit onderwerp hoog, bij veel mensen zelf niet. Zo las ik net De oude vrouw en de katten van J.M. Coetzee, over een dame in Spanje wiens kinderen haar dichterbij willen hebben omdat ze ouder wordt. Maar ze woont naar alle tevredenheid met haar katten in een klein dorpje en wil niet verhuizen. Dit geeft maar aan dat je niet voor iedereen iets móet regelen.

Kortom: er is niet één oudere. Zoveel senioren, zoveel wensen. Dat is interessant voor ontwikkelaars en woningbouwers: wat kun je voor al deze types maken? Dat stimuleert vernieuwing in productontwikkeling. En dat is toch het leukste wat er is.”

Agnes franzen interview by Maikel Samuels

3. Wat we al bouwen is niet voldoende?

“Terwijl het aantal zeventigplussers fors toeneemt, ervaren we nu al een mismatch tussen vraag en aanbod op de woningmarkt. Ontwikkelaars zijn druk bezig, maar de vaart zit er nog niet in. En ik zie dat één ding vaak vergeten wordt: het ontwerp van de buitenruimte. Is die toegankelijk genoeg ontworpen en is de buurt zo opgezet dat je je buren vaak tegen het lijf loopt? Eenzaamheid is immers een groot probleem onder ouderen. 

In China viel me op dat mensen meer buiten zijn. Op overdekte lanen spelen ouderen urenlang samen mahjong. Ook in mijn woonplaats Rotterdam merk ik dat jongeren steeds meer buiten leven: ze slepen allerlei meubels mee om daar comfortabel te kunnen verblijven. Is daarin voorzien in je gebiedsontwikkeling? Ik merk dat de openbare ruimte of de aansluiting van een nieuwe woonwijk op stad of dorp vaak een ondergeschoven kindje is.”

4. Is dit niet een te grote verantwoordelijkheid voor ontwikkelaars?

“Eenzaamheid onder ouderen is vooral de verantwoordelijkheid van de kinderen, omgeving en henzelf, niet van een ontwikkelaar. De condities van onze woonomgeving optimaliseren, dat is wél je verantwoordelijkheid. Bovendien is het toch je core business om woonproducten te ontwerpen die inspelen op de vraag?

Zo heeft Heijmans de verplaatsbare Heijmans ONE ontworpen voor een- of tweepersoonshuishoudens. Ga in die trant door, zoiets als ‘een woonvorm voor 50- tot 60-jarigen die vooruit kijken en die gemeenschap en contact belangrijk vinden, een modaal inkomen hebben, van tuinieren houden’, etc.

Opdrachtgevers en ontwikkelaars dienen na te denken over voorzieningen bij die woonvormen. Die hoef je niet zelf te bedenken.  Initieer samenwerkingsverbanden met zorginstellingen of ondernemers. Je kan dit immers niet alleen. Zoek die mensen op, om open en eerlijk te bespreken wat kansen en obstakels zijn. Niemand heeft alle antwoorden, maar elkaars kennis gebruiken levert veel op. Die kennis zorgt ervoor dat je bijdraagt aan maatschappelijke opgaven met passende producten.”

5. Wat zou daarbij helpen?

“Keuzes maken als overheid. In de net gelanceerde Nationale Omgevingsvisie, de Novi, wordt veel te veel opengelaten. Pijnlijke keuzes worden vermeden. De uitvoeringsagenda is nog niet klaar, ik hoop dat ze daarin wat meer richting geven. Kiezen hoort bij je rol als bestuurder.

Opdrachtgevers kunnen in ieder geval ontmoetingen aanjagen, goede voorbeelden laten zien, luisteren naar waar ontwikkelaars en bouwers vastlopen op wet- of regelgeving en stoppen met alle opdrachten via tenders uit te geven. Wacht vooral niet op elkaar, begin gewoon.”

Foto: Maikel Samuels

Innoveren voor de zilveren generatie

Agnes Franzen benadrukt graag de innovatiekansen die de opgave van ouderenhuisvesting biedt. Als strategisch adviseur gebiedsontwikkeling aan de TU Delft raadt ze overheden en ontwikkelaars aan buiten de deur te kijken. “Bedenk samen met bewoners, ondernemers en zorgorganisaties nieuwe concepten. Het is immers onze gezamenlijke verantwoordelijkheid de optimale condities voor wonen te creëren.”

29 juli 2019 Interview door Marit Overbeek (Heijmans )

1 Hoe wil de zilveren generatie wonen?

“Niet op een, maar op allerlei verschillende manieren. Je hoort over ‘seniorendorpen’ naar Amerikaans model, dat vindt een bepaalde groep vast ideaal. Ook zijn er mensen die gemeenschapszin belangrijk vinden en veel invloed willen op hun toekomstige woonomgeving, die bouwen bijvoorbeeld via Collectief Particulier Opdrachtgeverschap. Mooie aan bijvoorbeeld het initiatief Knarrenhof is de diversiteit in leeftijden: niet alleen zeventigplussers, ook jongere mensen. Zij willen elkaar helpen en samen het hofje beheren. Maar dat ligt niet iedereen.”

2 En als je niet ‘samen’ wilt?

“Vermogende ouderen kunnen zelf zorg aan huis regelen. Mensen die dat niet kunnen betalen en nog vrij zelfstandig zijn, help je door in hun woongebouw of wijk veel voorzieningen te bieden. Zoals winkels of wijkcentra voor ontmoeting, activiteiten en gezamenlijk eten. Dat geeft rust, veiligheid en gezelligheid. Of door domotica in huis aan te brengen, als er tenminste mantelzorgers in de buurt zijn.

Dit zijn ook prikkels om mensen te laten doorstromen. De meeste ouderen verhuizen pas als het te laat is, soms met tragische gevolgen: terecht komen in een verzorgingshuis ver weg van je kinderen. Bij professionals is de urgentie op dit onderwerp hoog, bij veel mensen zelf niet. Zo las ik net De oude vrouw en de katten van J.M. Coetzee, over een dame in Spanje wiens kinderen haar dichterbij willen hebben omdat ze ouder wordt. Maar ze woont naar alle tevredenheid met haar katten in een klein dorpje en wil niet verhuizen. Dit geeft maar aan dat je niet voor iedereen iets móet regelen.

Kortom: er is niet één ‘oudere, zoveel senioren, zoveel wensen. Dat is interessant voor ontwikkelaars en woningbouwers: wat kun je voor al deze verschillende types maken? Dat stimuleert volgens mij vernieuwing in productontwikkeling. En dat is toch het leukste wat er is.”

3 Wat we al bouwen is niet voldoende?

“Terwijl het aantal zeventigplussers fors toeneemt, ervaren we nu al een mismatch tussen vraag en aanbod op de woningmarkt. Ontwikkelaars zijn druk bezig, maar de vaart zit er nog niet in. En ik zie dat een aantal dingen vaak vergeten wordt: het ontwerp van de buitenruimte. Is die toegankelijk genoeg ontworpen en is de buurt zo opgezet dat je je buren vaak tegen het lijf loopt? Eenzaamheid is immers een groot probleem onder ouderen. 

Ouderen in China.jpg

In China viel me op dat mensen meer buiten zijn. Op overdekte lanen spelen ouderen urenlang samen mahjong. Ook in mijn woonplaats Rotterdam merk ik dat jongeren steeds meer buiten leven: ze slepen allerlei meubels mee om daar comfortabel te kunnen verblijven. Is je daarin voorzien in je gebiedsontwikkeling?
Ik merk dat de openbare ruimte of de aansluiting van een nieuwe woonwijk op stad of dorp vaak een ondergeschoven kindje is.”

4 Is dit niet een te grote verantwoordelijkheid voor ontwikkelaars?

“Eenzaamheid onder ouderen is vooral de verantwoordelijkheid van de kinderen, omgeving en henzelf, niet van een ontwikkelaar. De condities van onze woonomgeving optimaliseren, dat is wél je verantwoordelijkheid. Bovendien is het toch je core business om woonproducten te ontwerpen die inspelen op de vraag?

Agnes Franzen Piushaven Tilburg 5.jpg

Zo heeft Heijmans de verplaatsbare Heijmans ONE ontworpen voor een- of tweepersoonshuishoudens, ga in die trant door. Zoiets als ‘een woonvorm voor 50 tot 60-jarigen die vooruit kijken en die gemeenschap en contact belangrijk vinden, een modaal inkomen hebben, van tuinieren houden’, etc.

Opdrachtgevers en ontwikkelaars dienen na te denken over voorzieningen bij die woonvormen. Die hoef je niet zelf te bedenken, initieer samenwerkingsverbanden met zorginstellingen of ondernemers. Je kan dit immers niet alleen. Zoek die mensen op, om open en eerlijk te bespreken wat kansen en obstakels zijn. Niemand heeft alle antwoorden, maar elkaars kennis gebruiken levert veel op. Die kennis zorgt ervoor dat je bijdraagt aan maatschappelijke opgaven met passende producten.”

5 Wat zou daarbij helpen?

“Keuzes maken als overheid. In de net gelanceerde Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt mijns inziens veel te veel opengelaten. De uitvoeringsagenda is nog niet klaar, ik hoop dat ze daarin wat meer richting geven. Pijnlijke keuzes worden vermeden. En kiezen hoort bij je rol als bestuurder.

Opdrachtgevers kunnen in ieder geval ontmoetingen aanjagen, goede voorbeelden laten zien, luisteren naar waar ontwikkelaars en bouwers vastlopen op wet- of regelgeving en stoppen met alle opdrachten via tenders uit te geven. Wacht vooral niet op elkaar, begin gewoon.”

Agnes Franzen is gefotografeerd in de Piushaven in Tilburg, in dit gebied zijn plannen voor een woonzorgcomplex. Met dank aan Ingrid de Gooijer van de gemeente Tilburg. 

Chinese lessen voor de Nationale Omgevingsvisie

Het klinkt gek, maar er zijn echt lessen te trekken uit hoe president Xi Jinping ‘zijn’ China bestuurt voor onze uitvoering van de Nationale Omgevingsvisie. Hierbij een inventarisatie van Jinpings gedachtegoed en 4 adviezen.

Na mijn bezoek aan China dit voorjaar en het lezen van het boek ‘De nieuwe keizer’ van Ties Dams, denk ik dat we voor de Nationale Omgevingsvisie iets kunnen leren van de Chinese president Xi Jinping. Niet voor mensenrechten, inspraak of lessen over hoe burgers te betrekken bij ruimtelijke vraagstukken. Maar voor het doorhakken van knopen bij grote maatschappelijke vraagstukken kunnen we iets opsteken van de aanpak in de tweede economie van deze wereld.

Deze maand werd het ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) gelanceerd. Dit geeft een impressie welke belangen op nationaal niveau richting moeten krijgen of geregeld moeten worden via vier prioriteiten:

  1. Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie
  2. De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden
  3. Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken
  4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen

Om de belangen te wegen en tot keuzes te komen bij deze nationale vraagstukken staan drie uitgangspunten centraal: slimme combinaties maken waar dat mogelijk is, de kenmerken van het gebied centraal stellen, en – misschien wel de meest uitdagende – niet uitstellen of doorschuiven.

Wat zou Jinping ons hiervoor adviseren? Een mooie uitspraak uit De Nieuwe Keizer: “China dient potentiële crisissen kunstmatig te ontmantelen om ze om te buigen tot kansen.”

Verder beschrijft Dams vier principes die herkenbaar zijn vanuit het complexe proces bij gebiedsontwikkeling. Zij kunnen inspiratie geven voor het verder brengen van de Nationale Omgevingsvisie:

  1. China’s geschiedenis is de toekomst van de wereld
  2. In een multipolaire wereld winnen relaties het van instituties
  3. Mercantilisme en macht zijn keerzijden van dezelfde mondiale munt
  4. Onder de hemel is de Chinese beschavingsstaat soeverein

1: China’s geschiedenis is de toekomst van de wereld

Wat zijn leerzame historische wetmatigheden? Chinezen leren ook van ons, ze komen naar Nederland om te horen over onze omgang met water, of het nu gaat om de West-Friese omringdijk of de Haarlemmermeerpolder. Dit zijn voorbeelden die na eeuwen van plannenmakerij met een groot aantal arbeiders zijn gerealiseerd om de verwoestende werking van het water aan te pakken. Een recenter voorbeeld met een snellere aanpak is de waterramp in Zeeland, met als resultaat de mondiaal bekende Deltawerken. Les: het komen tot uitvoering vraagt tijd en samenwerking, ook al is de urgentie groot.

Principe 2: In een multipolaire wereld winnen relaties het van instituties

Dit is een les die al concreet tastbaar is. De NOVI-Alliantie (met daarin onder meer Neprom, VNO-NCW, gemeenten, natuurorganisaties en de leerstoel Gebiedsontwikkeling TU Delft) heeft de handen ineengeslagen om tot voorstellen te komen voor de uitvoering van de Nationale Omgevingsvisie. Wat gaan we op regionaal niveau doen, wie gaat dat doen en hoe gaan we dat betalen? Iedere regio heeft een eigen netwerk met partijen die verkennen welke relaties de komende jaren tot een sprong voorwaarts kunnen leiden. De Noord-kop rond Heerhugowaard zoekt samenwerking in de regio, maar ook met de Metropoolregio Amsterdam. Het Rijk, de provincie Zuid-Holland en gemeenten lanceerden de Woondeal Zuidelijke Randstad om de bouw van nieuwe woningen te versnellen.

Principe 3: Mercantilisme en macht zijn keerzijden van dezelfde mondiale munt

Ook binnen gebiedsontwikkeling zien we het zoeken naar win-winsituaties, het delen van lusten en lasten. Volgens Frank ten Have, expert in de financiën van gebiedsontwikkeling, zijn de belangrijkste lessen: vertrouwen tussen (publieke en private) partijen vraagt tijd, kies een passende samenwerking met een optimale taak- en risicoverdeling, en zoek een gemeenschappelijk belang met behoud van eigen identiteit. Maar vergeet niet dat binnenstedelijke transformaties het niet redden zonder publieke steun of een revolverend fonds.

Principe 4: Onder de hemel is de Chinese beschavingsstaat soeverein

We zien in China een machtige keizer die inzet op het beïnvloeden van interne zaken van andere landen: relatiemanagement met afspraken 1 op 1. Hoe zit dat bij de ruimtelijke ordening in ons land? Waar Nederland tot 2010 een ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer had, zijn de grote ruimtelijke opgaven nu ondergebracht bij diverse ministeries. Wonen, wijken, integratie en de Rijksgebouwendienst vallen onder het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK). Dit ministerie zit nu ook aan het stuur voor de Nationale Omgevingsvisie.  Maar verwacht vanuit BZK geen eindnota zoals in het verleden gebruikelijk. Wat we zien, is een proces van interactie met regionale allianties. Zo is het voor de Nationale Omgevingsvisie soms nodig dat urgente vraagstukken op regionaal (overstijgend) niveau beïnvloed worden via sturing, besluitvorming en financiële middelen, want anders komen zij niet verder. Voor sommige vraagstukken past het relatiemanagement van Jinping dus uitstekend.

Cover: Photo by Freeman Zhou on Unsplash

Lang leve de file!

Hoe houden we Nederland bereikbaar met de huidige files en de woningvraag? Door het hele land wordt voor de bereikbaarheid ingezet op een regio-overstijgende aanpak. Zo vertelde wethouder Monique Stam uit Heerhugowaard op de Provada dat ze over een bereikbare ‘Noord-kop’ in gesprek is met de Metropoolregio Amsterdam. Van het Rijk verlangt ze een helder kader om regionaal tot investeringskeuzes te komen.

Met zo’n kader kunnen gemeenten ook beter inzicht krijgen in nieuwe kansrijke woninglocaties naast en boven infrastructuur. Veel gemeenten kiezen ervoor maximaal binnenstedelijk te bouwen. Inspirerende voorbeelden: de Sijtwende-tunnel met daarop woningbouw in Den Haag, of recenter de A2 in Maastricht. Ook Leiden, de stad waar groeiruimte voor woningbouw al jaren onder druk staat, heeft ingezet op woningbouw dicht bij de snelweg. Nu nog met niet al te frisse lucht, maar met de groei van het elektrisch vervoer wordt dit een schone en een prima ontsloten plek om te wonen.

Naast de nodige investeringen in het verbeteren van de bereikbaarheid komt het rekeningrijden eraan. In Den Haag is het besef doorgedrongen dat met de groei van elektrisch vervoer, de schatkist miljarden aan brandstofaccijnzen mis gaat lopen. Met de inkomsten van rekeningrijden kan dit gedeeltelijk worden gecompenseerd.

Ook bij het openbaar vervoer zien we initiatieven om files te reduceren. Zo krijgen medewerkers van ASML en Vodafone niet langer een auto van de zaak, maar een 1e klas OV-kaart. Een stimulans om rond een OV-knooppunt te gaan wonen draagt ook bij aan filereductie. Hierbij past de recent gelanceerde OV-taks niet. Deze maatregel draagt niet bij aan de betaalbaarheid van wonen in de stad. Daarbij zijn er al genoeg andere stijgende kosten voor inwoners. De waterschapsbelasting ging dit jaar al fors omhoog en de kosten voor energie en zorg vertonen ook een stijgende lijn. Zorg daarom dat huisvesting – zeker voor de middeninkomens – betaalbaar blijft.

Laten we de ontwikkeling van alle woonkosten in het vizier houden en kiezen voor schone lucht. Rijk: stimuleer wonen rond het OV en zet in op verplicht elektrisch rijden. Rond Den Haag en Haarlem is  de vertraging op drukke tijden het grootst, zo blijkt uit de recente traffic index van navigatiebedrijf TomTom. Kijkend naar de druk op de woningmarkt, is Haarlem een mooie stad om versneld te onderzoeken hoe de ruimte rond infrastructuur nog beter kan worden benut voor de woningmarkt. Grijp de files en aanpak luchtvervuiling ook aan als ‘kans’ voor extra woningen rond stedelijke infrastructuur.

Zie verder: fd.nl/economie-politiek/1305131/automobilist-heeft-meeste-vertraging-in-den-haag-en-haarlem

Gezocht: een nieuwe Atlas voor onze wereld

Wie kan de actuele grote maatschappelijke uitdagingen dragen? Staat er ergens een nieuwe Atlas op, de Griekse god die de hele kosmos op zijn nek droeg? Zo’n ‘god’ blijkt in onze wereld lastig te vinden. We leven in een tijd van onzekerheid over gemeenschappelijke waarden en normen. Mondiaal en ook nationaal kunnen we niet meer om een divers palet aan waarden heen. De winst van het Forum voor Democratie bij de provinciale verkiezingen sluit hier op aan. De partij heeft als basis de boodschap dat het tijd is voor een ander politiek systeem. Zo pleit ze voor de e-democratie: luisteren en oog hebben voor de belangen van burgers door hen online te betrekken bij maatschappelijke vraagstukken.

Ook gebiedsontwikkeling staat voor een aantal maatschappelijke uitdagingen. Vele hiervan vragen om duidelijke keuzes op regionaal en nationaal niveau. Of het nu gaat om lokale ouderenzorg en de woningbouwopgave of Europese en mondiale vraagstukken als mobiliteit (vliegen en OV), energie en het klimaat. Na de relatief rustige Vinex-tijd met grotendeels ‘wonen in de wei’, is de diversiteit in omvang van woningbouwlocaties sterk veranderd. Binnenstedelijk, maar ook buitenstedelijk zijn gebiedsopgaven – mede door de genoemde maatschappelijke vraagstukken – complexer geworden. Er is sprake van een grotere diversiteit aan relevante actoren, ieder met hun eigen waarden en belangen, die makkelijk tot botsingen kunnen leiden bij het zoeken naar oplossingen.

’De diversiteit in omvang van woningbouwlocaties is sterk veranderd’

De nieuwe omgevingswet speelt hier op in. Deze wet streeft een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving na. Zij bundelt de wetgeving en de regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De kunst hierbij is het vinden van de balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Het op democratische wijze in beeld brengen van diverse waarden bij relevante actoren en burgers is hierbij een bruikbaar instrument. Het geeft inzicht waar sprake is van overeenkomst en waar tegenstand kan worden verwacht.

De gesprekken over het klimaatakkoord zijn hiervoor een goede leerschool. Regionaal en lokaal is voor het klimaatakkoord veel werk verricht. De hieruit komende ruimtelijke opgaven delen niet alleen de behoeft aan harde en duidelijke nationale keuzes met een meerderheid van stemmen, maar ook ruimte en flexibiliteit om in te kunnen springen op lokale zaken en op mondiale en technologische ontwikkelingen. Met de factor tijd gaat het om het schetsen van mogelijke en gewenste langetermijnperspectieven, én om het vertrouwen op kleinere, incrementele stappen. Kortom, benut de rationele feiten, maar beweeg ook mee, en neem besluiten op een moment dat het maatschappelijk past.

’Meer debat, meer strijd om aandacht en meer machtsvertoon’

De wereld samen dragen gaat niet zonder strijd. Dit zien we bij de klimaatopgave en de hierbij horende Regionale Energie Strategie (RES). Na relatieve stille jaren in de ruimtelijke ordening, verwacht ik dat de komende jaren lawaaiiger zullen zijn. Meer debat, meer strijd om aandacht en meer machtsvertoon. Mondiaal is dit ultiem zichtbaar met de handelsoorlog tussen China en de VS. President Trump zet druk op China met het verkondigen van een verdere verhoging van de importheffing op Chinese goederen. Hiermee hoopt hij onder andere de Chinese markt – met nu nog veel staatsbedrijven- toegankelijker, transparanter en deels meer privaat te maken. President Xi Jinping richt zich ondertussen op het versterken van economische samenwerking via de Zijderoute, onder het motto van een win-winsituatie voor alle deelnemers. Maar tegelijkertijd focust hij via het uitgeven van leningen op het vergroten van de Chinese macht in diverse landen (loan to own). Deze machtspolitiek staat in schril contrast met het gecentraliseerde ‘kippenhok’ Europa.

’Online in beeld brengen wat de burgers vinden staat nog in de kinderschoenen’

Kan gebiedsontwikkeling hier iets van leren? Ja, ook hier staan we nationaal voor economische investeringskeuzes. Zo laat recent onderzoek van het PBL zien dat extra overheidsinvesteringen in zwakkere regio’s meer opleveren voor de sterkere omliggende regio’s. Zoals al eerder zichtbaar is geworden, vraagt de leefbaarheid in krimpregio’s om extra overheidsinvesteringen en aandacht. Weeg dit mee bij nationale besluiten om te komen tot passende oplossingen voor de grote maatschappelijke opgaven. Denk aan investeren in betaalbaar wonen vanuit het perspectief van onze ‘Holland Metropool’, inclusief een zeer ruim gebied om de grote steden heen. Met een integrale bril: wat zijn bijvoorbeeld bereikbare locaties waar bij bebouwingen de files niet worden verhoogd? Of voor de Veenkoloniën: bijdragen aan het klimaatakkoord met windmolens in ruil voor extra publiek geld voor onderwijs en ouderenzorg?

Online in beeld brengen wat de burgers vinden staat nog in de kinderschoenen en is nu nog iets te kort door de bocht voor de Haagse aanpak. Maar toch, richt de nationale blik niet alleen Europees en mondiaal. Denk aan Atlas in deze tijd: kijk voor de grote maatschappelijke opgaven naar de hele wereld, maar vergeet voor Nederland niet de benodigde tijd met ruimte voor oplossingen van burgers lokaal!

Cover: Wikimedia Commons, Public Domain

Ouderen een gat in de markt?

Deze maand lanceerde het kabinet de stimuleringsmaatregel wonen en zorg. Doel is het aanjagen van nieuwe vormen van wonen en zorg voor ouderen. Maar wie zijn de ouderen? En wat betekent dit voor de dagelijkse praktijk van gebiedsontwikkeling? Krijgen we in Nederland net als in de VS speciale dorpen voor 70+?

Ouder worden is het begin van een laatste levensfase, waarin het arbeidzame leven wordt afgerond. De huidige generatie ouderen is opgegroeid in een tijd van de wederopbouw, een tijd van het aangaan van wederzijdse verplichtingen. Een generatie opgegroeid met het ‘ oans bin zunig’ motto. Ooit slim ingezet in de reclame voor margarine met een vrouw in Zeeuwse klederdracht. Na de wederopbouw volgde een stijgende lijn in welvaart en werd de samenleving steeds individualistischer. Maar sinds het einde van de vorige eeuw is onder premier Wim Kok de overgang van de verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving in gang gezet.

‘Communities als mooi concept voor het langer zelfstandig wonen van ouderen’

Ook in gebiedsontwikkeling is participatie niet meer weg te denken. Of het nu gaat om binnenstedelijke nieuwbouw, het klimaatakkoord of gezonder leven. Het betrekken van burgers staat hoog op de agenda. Wat betekend dit voor de vergrijzingstrend? De oproep aan ouderen om te verhuizen uit de grote hypotheekvrije woning, maar ook (huur) appartementen zonder lift horen we steeds vaker. Waar de AOW leeftijd nu op 66 jaar staat, verschuift dit gaandeweg naar 70-75 jaar. En kijkend naar de demografische cijfers de komende decennia neemt dit aantal 70 plussers fors toe.

Gaat deze groep opzoek naar een andere woonvormen? Diverse onderzoeken laten zien dat er een mismatch is in de ontwikkeling van de bevolkingssamenstelling naar leeftijd en het huidige woningaanbod. Na het individueel tijdperk horen we nu steeds vaker het belang van communities. Een concept dat mooi aansluit bij het langer zelfstandig wonen van ouderen. Naast de sociale dimensie, dragen gedeelde (zorg) voorzieningen bij aan de betaalbaarheid. Maar laten we niet vergeten dat veel ouderen van dit moment gezonder en fitter zijn dan hun ouders op dezelfde leeftijd. Veel ouderen peinzen er niet over om te verhuizen, ze wonen prima en betaalbaar of met een afgeloste hypotheek zelfs gratis. Al is er ook een groep kwetsbare ouderen met een extra zorgvraag. En kan een fitte oudere van de ene op de andere dag een zorgbehoevende oudere worden. Waarbij hij of zij door gebrek aan beschikbare voorzieningen in de nabijheid plotseling naar een onbekend stadsdeel of zelfs een andere gemeente voor een verpleeghuis moet verhuizen.

‘De nog onderbelichtte uitdaging voor het huisvesten van ouderen ligt op delen van ons platteland’

Dit alles overziend is het niet verwonderlijk dat ouderenhuisvesting in het stedelijk gebied steeds hoger op de agenda staat bij provincies, gemeenten, corporaties en beleggers. Gericht op een forse toevoeging van binnenstedelijke appartementen in de betaalbare middenhuur. Wooncomplexen met ruimte voor gedeelde voorzieningen, geschikt voor ouderen, maar indien nodig eenvoudig aan te passen voor een jongere doelgroep. Als dit lukt is het gebrek aan zorgpersoneel overigens waarschijnlijk nijpender dan de beschikbaarheid van woningen. De nog onderbelichtte uitdaging voor het huisvesten van ouderen ligt op delen van ons platteland.

Kijken we naar 2040, dan wonen hier relatief veel ouderen mede als gevolg van wegtrekkende jongeren. Een zwaartepunt van deze krimpende bevolkingstrend zien we in het gebied langs de grens met Duitsland en in de noordelijke provincies Groningen, Friesland en Drenthe. Waar een ouder iemand in het stedelijk gebied eenvoudig zijn huis kan verkopen, is dat hier een stuk lastiger zo niet onmogelijk. De kans op eenzaamheid neemt toe en het aanbieden van gemeenschappelijke zorgvoorzieningen ligt hier een stuk lastiger. Wellicht krijgen we naar Amerikaans model enkele 70+ dorpen. Maar reisafstanden blijven groot en het openbaar vervoer is beperkt. Bij benodigde dagelijkse zorg moet vader of moeder plots 25-50 km verhuizen naar de plek met een zorg of verpleeghuis waar een kamer vrij is.

‘Bieden deze gebieden kansen voor de energietransitie?’

Concluderend, ja de vraag naar woningen voor ouderen is een gat in de markt en de vraag zal de komende jaren zeker stijgen. Naast nog enkele verpleeghuizen, gaat het om woningen voorzien van het gemak van een lift, aanbod van maaltijden plus persoonlijke zorg zoals een kapper en het doen van de was. In sterke economische regio’s, waar succesvol gestuurd wordt op realisatie van het segment middenhuur zal deze transformatie zich geleidelijk voltrekken. Maar op het platteland ontwikkeld zich een ander gat. Gebieden met een groot gebrek aan passende woningen en zorgvoorzieningen. Bij verkoop woningen die men aan de straatstenen niet kwijt kan. Bieden deze gebieden kansen voor de energietransitie? Met de protesten in de Veenkoloniën tegen de windmolens in ons achterhoofd wordt zo’n oplossing in deze krimpgebieden niet altijd enthousiast ontvangen. Met de blik vooruit het zien als vluchtoord bij een snel stijgende zeespiegel? Accepteren we gebieden met een fors aantal woningen in verval en steeds meer eenzame bejaarden? We horen weinig ouderen protest. De hoogste tijd om dit ‘gat in de markt’ met de provinciale verkiezingen hoog op de agenda te zetten.

Ander voedselpatroon als aanjager van landschappelijke veranderingen

De helft van het Nederlandse grondgebied is agrarisch. In Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Zeeland is dit zelfs meer dan 70%, waarvan  – naast akkerbouw en tuinbouw – meer dan de helft grasland. Een recent artikel in het medisch wetenschappelijk tijdschrift The Lancet roept op tot een drastische verandering in ons huidige voedingspatroon. Goed om te weten als land, dat met stip op 2 staat als voedselexporteur.

Om in 2050 de wereld duurzaam te kunnen voeden dient onze vleesconsumptie te worden gehalveerd. Bij het toekomstige eten moeten we denken aan volkoren granen, noten, peulvruchten, groente en fruit. Zelf staan Nederlanders zeker nog niet te trappelen van ongeduld voor deze omslag in eten. Eind vorig jaar had supermarkt AH bijvoorbeeld nog een twitterrelletje om een zwaar vegetarische kerstspecial. De tekst in de twitterstorm: er staan te weinig vlees- en visgerechten in. Wat betekent dit alles nu voor ons buitengebied? Naast robotisering, drastische krimp van varkensstallen en pluimvee, nog minder koeien in de wei, groei van gestapelde hogere glastuinbouw en een groei van de notenproductie met bij Nederland passende hazelnootstruiken en walnootbomen?

Behalve landschappelijke transformaties, speelt zich buiten het blikveld van veel stedelingen nu al een forse verandering af op agrarische gronden. Denk aan de datacentra en energielandschappen met zonnepanelen en windmolens op land en zee. Daarnaast wordt de aanpak van inklinkende veenweidegebieden steeds urgenter. In sommige gebieden is het niveau van de wegen en het waterpeil op een paar centimeter na gelijk. Keren we terug naar dijken, gemalen of terpen? Een pittige opgave naast het versterken van dijken en meer waterbergingsgebieden.

Ingrijpende veranderingen in het landschap zijn niet nieuw. In de tweede helft van de 19e eeuw maakte Nederland als gevolg van de industriële revolutie ook een drastische omslag door. Er kwamen fabrieken, de mensen trokken  van het platteland naar de stad en op diverse plekken reden tramlijntjes met stoomlocomotieven. In de 20e eeuw volgden verdere industrialisatie, ruilverkaveling, ontwikkeling van forse bedrijventerreinen en het opslokken van het buitengebied door rijtjeswoningen in groeikernen en met de Vinex langs stedelijke randen. Hoe verder? Wat past bij onze Holland Metropool? Hoe gaan we om met de economische impact? Wat raakt onze gezondheid? En wat koesteren we vanuit gebiedsontwikkeling? Is de canon van het Nederlandse landschap nog actueel? Het is de hoogste tijd om deze sluimerende ontwikkelingen op de agenda te zetten. Wake-up burgers, boeren en buitenlui!