Het kapitalisme van morgen

Vorige week vond in Davos het World Economic Forum plaats. De pandemie, het klimaat en de verhoudingen tussen het westen en China stonden centraal. Een belangrijke vraag was of we alles anders gaan doen na de pandemie? Of naar een boek van de leidende figuur Klaus Schwab bij dit Forum: is het tijd voor een Great Reset? Minder sociale ongelijkheid, meer maatregelen voor het klimaat, met meer staat en minder vrije markt. Bondskanselier Angela Merkel stelde dat het niet ging om een reset van doelen, maar om een reset in vastberadenheid waarmee we dingen doen. Volgens haar heeft de pandemie laten zien hoe kwetsbaar de mens is en dat de mens ondanks alle technologische vernuft nog steeds deel uitmaakt van een natuurlijke omgeving.

Kijken we naar gebiedsontwikkeling, dan denk ik dat zowel Schwab als Merkel een boodschap hebben die aansluit bij de uitvoeringsagenda van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De uitvoeringsagenda richt zich op de uitwerking van vier prioriteiten met bijbehorende beleidskeuzes. De eerste prioriteit is ruimte voor klimaatadaptie en energiestrategie, de tweede duurzaam economisch groeipotentieel. Als derde willen we sterke, gezonde steden en regio’s, en de vierde prioriteit betreft de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Dit gebeurt vanuit een breed welvaartbegrip. Dus kijken naar de puur economisch waarde én naar maatschappelijke waarden.

Een belangrijke vraag is hoe we aan deze waarden invulling kunnen geven. Vanuit het perspectief van het VN-Klimaatakkoord van Parijs is het door John Elkington in 1994 gelanceerde People, Planet, Profit (PPP) een bruikbaar handvat. Passend bij een breed welvaartbegrip is het de kunst een evenwicht te vinden tussen de drie P’s. Maar recent (2018) verwoorde Elkington dat sinds de lancering de aandacht vooral naar profit uitging. Succes of falen van duurzame oplossingen moet volgens hem niet alleen worden bekeken vanuit het perspectief van winst of verlies, maar ook vanuit het oogpunt van welzijn van mensen en een gezonde aarde. Hij ziet dit als de start van ‘het kapitalisme van morgen’.

‘De economie moet in dienst staan van hogere doelen, en menselijke en ecologische belangen dienen’

Om de betekenis van dit begrip concreet te maken is het goed een onderscheid te maken naar de traditionele economie gericht op groei en een brede welvaartseconomie. Volgens Kathering Trebeck, voortrekker van de wereldwijde beweging voor een Wellbeing Economy is het huidige systeem onrechtvaardig, onstabiel, niet duurzaam en maakt het mensen ongelukkig. Verwar middel en doel niet, stelt zij. De economie moet in dienst staan van hogere doelen, en menselijke en ecologische belangen dienen. Gegeven deze kritiek en wat Elkington aanhaalt bij zijn PPP-benadering sluit het boek Donut Economy (2017) van Kate Raworth hier naadloos op aan. Ze pleit ervoor om de economie te laten balanceren tussen een sociale ondergrens gevormd door mensenrechten zoals veiligheid, gezondheid en voldoende eten en een ecologische bovengrens die gaat over luchtvervuiling, klimaatverandering en bodemuitputting.

Gelukkig zien we bij gebiedsontwikkeling een groeiende aandacht voor de geschetste punten en een benadering vanuit brede welvaart ofwel een welzijnseconomie. De vraag is hoe we met de NOVI Uitvoeringsagenda hier verder vorm aan kunnen geven en verder kijken dan de besluitvorming en de benodigde investeringen. Een technocratische aanpak, waarin het beleid wordt vormgegeven aan de hand van adviezen van experts en relevante analyses is in deze tijd niet meer voldoende om tot ruimtelijke oplossingen te komen. Er is een grote diversiteit aan grote maatschappelijke opgaven. Dat maakt dat er verschillende publieke, private en maatschappelijke partijen zijn, ieder met een eigen maatschappelijke agenda en vanuit diverse waarden, gedurende het proces om tot uitvoering te komen.

De recente protesten van burgers tegen overheidsmaatregelen, vanuit onbegrip of economisch achterblijven, en de groei aan burgerinitiatieven bij gebiedsontwikkeling geven aan dat het belangrijk is om burgers hierbij te betrekken. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) benadrukt dit in de recente publicatie De balans van de leefomgeving, Burger in zicht overheid aan zet (2020). De positie van de burger in de ruimtelijke ordening is nog onvoldoende, luidt een van de conclusies.

‘De uitdaging blijft het slaan van bruggen tussen diverse partijen met ieder hun eigen waarden’

Het kapitalisme van morgen. Met de verkiezingen voor de deur gaan we de komende weken horen welke waarden de diverse politieke partijen belangrijk vinden en hopelijk ook hoe ze burgers willen betrekken bij de opgaven waar we voor staan. De uitdaging blijft het slaan van bruggen tussen diverse partijen met ieder hun eigen waarden. Laten we hierbij niet het pad opgaan van de verkiezingen in de Verenigde-Staten, waar het verschil in waarden via de digitale media alleen maar werd uitvergroot. Laten we ons baseren op de literatuur. Romans van het nieuwe millennium formuleren een artistiek antwoord op de verwevenheid van politiek en gevoel, gemeenschap en het individu. De ik kan niet zonder de omgeving en anderen. Verbondenheid staat niet in de weg van ideologische spanningen en politieke debatten, maar is juist datgene wat een werkelijk engagement vereist. ‘Wie zichzelf overwint, is sterker dan hij die de stad inneemt’*. 

Agnes Franzen, strategisch adviseur bij de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) en TU Delft

*Citaat moeder schrijver Ingmar Heytze

Om verder te lezen:
https://www.novistukken.nl/uitvoeringsagenda/default.aspx
http://waardenbenadering.nl/waarden/
https://www.nrc.nl/nieuws/2021/01/07/de-roman-heeft-een-lichaam-gekregen-a4026640

Gebiedsontwikkeling 2021

Voor gebiedsontwikkeling heeft de coronapandemie reeds gaande ontwikkelingen verder blootgelegd. Technologische ontwikkelingen zoals het vaker thuiswerken en de groei van digitale bestellingen met als gevolg een groeiende leegstand van kantoren en winkelpanden. Maar ook daling van de CO2-uitstoot door minder lucht- en autoverkeer en het pijnlijk zichtbaar worden van de sociaaleconomische tweedeling. Denk aan onderwijs, eenzaamheid en gezond gedrag.

Breder welvaartsbegrip

De wereldwijd voelbare pandemie heeft het belang van een breder welvaartsbegrip duidelijk gemaakt. Economische groei is niet het enige dat de welvaart voor burgers bepaalt. Al in 2016 hebben de Universiteit Utrecht en RaboResearch als alternatieve welvaartsmaat de Brede Welvaartsindicator (BWI) gelanceerd. Het gebruik van deze indicator met elf dimensies van welvaart maakt het mogelijk om de samenhang en interactie tussen verschillende dimensies te achterhalen, en beleidsdilemma’s bloot te leggen. Die elf dimensies zijn: veiligheid, gezondheid, inkomen, persoonlijke ontwikkeling, milieu, baanzekerheid, wonen, maatschappelijke betrokkenheid, sociale relaties, subjectief welzijn en de werk-privébalans.

Een sterkere rol van de overheid en een breder welvaartsbegrip geven steeds vaker richting aan de grote maatschappelijke opgaven waar we in gebiedsontwikkeling voor staan. De strijd om de ruimte is hierbij een belangrijke factor. Minder landbouwgrond, meer ruimte voor natuur, hoe om te gaan met de toename van het aantal grote distributiecentra en datacenters plus de vraag hoeveel, welke en waar ruimte wordt geboden aan duurzame energieopwekking. En vanzelfsprekend hoort bij dat rijtje de vraag hoe de 1 miljoen gewenste nieuwe woningen worden ingepast, inclusief de bijbehorende infrastructuur. 

Investeringen voor ruimtelijke opgaven

De economische impact van de coronapandemie is groot. Na de kredietcrisis in 2008 was het overheidssaldo min 12 miljard, nu midden in de coronacrisis staat de teller voor 2020 op min 56 miljard. En wordt voor 2021 een tekort van 45 miljard verwacht. Gelukkig heeft het huidige kabinet voor de ‘strijd om ruimte’ wel extra middelen ingezet en deze ‘naar voren’ gehaald. Woningbouw is topprioriteit voor minister Ollongren (BZK) die dat kracht bij zet met een impuls van 450 miljoen euro voor 2021. Voor de transformatie van winkels en kantoren naar woningbouw is 20 miljoen extra vrijgemaakt. En nog eens 75 miljoen is bestemd voor verduurzaming van de gebouwde omgeving. 

Minister Schouten (LNV), richt zich met haar begroting (2 miljard euro) op het staande houden van de landbouw en visserij op de wereldmarkt. Met een stapsgewijze transitie naar kringlooplandbouw met duurzame productie van voedsel in verbinding met de natuur. Voor de energietransitie geeft de overheid steun met subsidies en investeringen via het staatsbedrijf TenneT en Invest-NL (financiert ondernemingen die Nederland duurzamer en innovatiever maken). Plus een  bijdrage uit het door ministers Wiebes (EZ) en Hoekstra (Financiën) gelanceerde groeifonds (20 miljard) om de komende vijf jaar in te zetten op herstel van onze economie.

Drie relevante vraagstukken

Naast investeringen vragen de voorliggende opgaven om een Brede Welvaartsindicatorbenadering. Met de effecten van de coronacrisis in gedachten belicht ik drie relevante vraagstukken voor gebiedsontwikkeling met handreikingen voor de agenda 2021. 

Als eerste het stimuleren van gezond gedrag. In veel steden zien we dat er naast openbare sportvoorzieningen meer ruimte komt voor fietsers en voetgangers. Maar het gaat om meer. De door Ingenieursbureau Arcadis uitgebrachte Gezonde Stad Index 2020 geeft hiervoor houvast. In de index worden vijf domeinen benoemd waaraan de gezonde stad moet voldoen. Te weten: gezond milieu, gezonde gemeenschap, gezonde gebouwde omgeving, gezonde mobiliteit en gezonde buitenruimte.

Als tweede is de vraag van belang hoe kan worden bijgedragen aan een inclusieve samenleving. Céline Janssen (promovenda leerstoel Gebiedsontwikkeling TU Delft) heeft dit in 2019 helder beschreven aan de hand van zeven interpretaties die ze waarnam in het veld van gebiedsontwikkeling. Het betreft: weten wat gebruikers willen, betaalbaar wonen, versterken van de sociale samenhang, zelforganisatie, kansen voor persoonlijke ontwikkeling, integreren van sociale en ruimtelijke programma’s en tot slot omgang met functies ‘die niemand wil’ zoals daklozen of een tbs-kliniek. Bruikbare voorbeelden om bij een gebiedsontwikkelingsopgave het begrip sociale inclusie concreet te maken.

En als derde de groeiende aandacht voor natuur en meer specifiek biodiversiteit. Naast het buitengebied leveren ook steden hier een belangrijke bijdrage aan. Volgens Tobias Verhoeven en Rosalie de Boer (Synchroon) zetten steden ook steeds meer in op natuurinclusieve ontwikkeling. In de praktijk wordt naast het inzetten van landschapsarchitecten ook steeds vaker samengewerkt met ecologen in gebiedsontwikkeling. Dit gebeurt vooral ‘aan de voorkant van het proces’ zodat in beeld kan worden gebracht hoe de biodiversiteit kan worden versterkt. Een mooi voorbeeld is de slogan van Breda: ‘een stad in een park’.

Verkiezingen

Op 17 maart zijn de Tweede Kamerverkiezingen. De drie geschetste punten verdienen de aandacht bij de terugkeer van een ministerie van Ruimtelijke Ordening. De mogelijkheden hiervoor worden mede bepaald door de samenstelling van het kabinet. Krijgen we een kabinet over rechts of over links of wordt het een regenboogcoalitie? Het jaar 2021 wordt in ieder geval het jaar van de coronavaccins en hopelijk ook het concreet maken van het brede welvaartsbegrip in gebiedsontwikkeling.

Corona: kans voor versnellen klimaattransitie

Corona heeft zich genesteld in vele onderdelen van de samenleving. Het heeft in Nederland even geduurd, maar ook hier zien we nu mensen met mondkapjes op straat en in winkels. Een dagelijkse confrontatie met het coronavirus. Ook voor gebiedsontwikkeling. Lege vliegtuigen, lege treinen, rustigere snelwegen. Lege kantoorruimtes, failliete winkels en gesloten horecavoorzieningen. De coronacrisis is een aanslag op onze economie. De Europese Commissie voorspelt dat de EU-landen – op voorwaarde dat nieuwe virusgolven uitblijven – op zijn vroegst in 2023 terugkeren naar hun welvaartsniveau van vóór de coronapandemie.

Europa heeft de ambitie om met de Green Deal het eerste klimaatneutrale continent te worden. Hier zijn echter veel en grote investeringen voor nodig. In de Tweede Kamer was vorige week een discussie over het gewenste tempo van energietransitie. Verantwoordelijk minister Wiebes was hier duidelijk over: ‘het is onmiskenbaar dat er extra actie nodig is om de klimaatdoelen (CO2-reductie van 49 procent in 2030) te halen’. Hij ziet dit als een belangrijke taak voor het volgende kabinet. Maar laten we ook kijken wat vandaag al kan. Laat de coronacrisis geen roet in het eten gooien, maar speel in op de trends die de klimaatdoelen versnellen. Gebiedsontwikkeling en de ontwerpende disciplines kunnen hieraan een belangrijke bijdrage leveren.

Minder vliegen, meer treinen

Als eerste trend de verandering in vervoersbewegingen. Om te beginnen het luchtvervoer. Het zal niemand zijn ontgaan dat het passagiersvervoer per vliegtuig dramatisch is gedaald. De vraag is hoe dit zich na de coronacrisis herstelt. Een verwachte trend is dat er vaker met kleinere vliegtuigen wordt gevlogen, die van bestemming naar bestemming vliegen; ook op langere trajecten. Hiermee staat Schiphol als transferluchthaven onder druk, maar het zorgt wel voor een lagere CO2-uitstoot in de omgeving. Daarbij kan door kleine verbeteringen in het treinvervoer, zoals bijvoorbeeld minder haltes, binnen een straal van 500 tot 750 kilometer de trein een deel van het Europese luchtverkeer vervangen.

Dan het personenvervoer op de weg. Met de groei van het thuiswerken wordt het eenvoudiger om het verkeer over de dag te spreiden, zowel op de snelwegen als in het openbaar vervoer. Dit zorgt voor minder files en is in combinatie met de groeiende markt van betaalbare elektrische (deel)auto’s ook goed voor de luchtkwaliteit.

Meer aandacht voor ruimtelijke ingrepen die uitnodigen om meer te bewegen

Een tweede trend is de groeiende aandacht voor een gezonde stad. Als gevolg van corona zien we een groei van de buitensport en is de schaarse natuur en recreatief Nederland (her)ontdekt. Verder wordt in veel steden al ingezet op minder ruimte voor auto’s en meer ruimte voor fietsers en voetgangers. Ook is er al langer aandacht voor ruimtelijke ingrepen die uitnodigen om meer te bewegen. Daarbij is de openbare ruimte een belangrijke plek voor ontmoeting, zien we ook nu in de coronatijd. Dit past bij de toename van woningcomplexen met veel aandacht voor gemeenschappelijke ontmoetingsruimtes. Ook vraagt het om in te spelen op de klimaatverandering met meer groen en ruimte voor wateropslag voor een betere kwaliteit van onze leefomgeving.

Verder heeft de corona de trend van digitalisering in onze samenleving versneld. Zo zien we een forse groei van digitale bestellingen en bezorgdiensten zowel in food als non-food. De urgentie om na te denken over het inpassen van distributiedozen, die bijdragen aan de energietransitie neemt hiermee toe. Verder heeft het thuiswerken een enorme vlucht genomen. Al zal persoonlijk contact altijd belangrijk blijven, voor bepaalde banen kan veel via virtueel contact. Wat we verder van de coronacrisis leren is dat thuiswerken een enorme impact heeft op de thuissituatie. Niet iedereen heeft een woning met ruimte voor een werkplek. Hiermee zal, naast aandacht hiervoor bij nieuwbouw, de vraag naar gebouwen met flexplekken verder toenemen. Maar door de corona en het vaker thuiswerken zal het aantal leegstaande kantoren en dichtgetimmerde winkelpanden in veel steden groeien. Net als bij verduurzaming van bestaande woonwijken ligt hier een taak voor een duurzame herstructurering van bestaand vastgoed en waar mogelijk het toevoegen van nieuwe duurzame woningen.

Meer aandacht voor herstelbeleid op de middellange en langere termijn vanuit een breed welvaartsbegrip

Hoe verder? Geen misverstand, corona heeft sociaal en economisch dramatische effecten. Maar zoals geschetst biedt het ook kansen. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving is het in Den Haag echter nog niet vanzelfsprekend om ook kansen en risico’s voor de leefomgeving mee te nemen bij het voorbereiden van het herstelbeleid. Ze bracht voor de zomer een policy brief uit met als titel Van coronacrisis naar duurzaam herstel. Hierin een pleidooi om meer aandacht te besteden aan herstelbeleid op de middellange en langere termijn vanuit een breed welvaartsbegrip. In lijn met de geschetste trends geven ze aan dat we voor grote ruimtelijke opgaven staan, die vragen om het maken van slimme combinaties. Een aanpak waar ontwerpende disciplines al veel onderzoek naar hebben gedaan. Laat het volgende kabinet deze studies meenemen in het komen tot besluitvorming over de weg naar een klimaatneutraal Europa voor 2050.

Door Agnes Franzen

Verwest, F., J. Notenboom & O.-J. van Gerwen (2020), Van coronacrisis naar duurzaam herstel. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Geef de boer die wil een toekomstperspectief

Vorige week stuurde minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) het wetsvoorstel Stikstofreductie en natuurverbetering naar de Tweede Kamer. De kritiek op het wetsvoorstel is luid en meerstemmig. De dichtheid van stikstof in de atmosfeer is binnen de EU het hoogst boven het dichtbevolkte Nederland. Het adviescollege Stikstofproblematiek, met Remkes als voorzitter, adviseerde eerder om de stikstofuitstoot te halveren tot 2030, bijna twee keer zoveel als nu wordt voorgesteld. Dat 32 procent van de stikstofuitstoot uit het buitenland komt, maakt het niet eenvoudiger. De ministeries van Infrastructuur en Water en Economische Zaken en Klimaat vinden dat de landbouw veel te weinig bijdraagt aan het verminderen van de uitstoot.

Op dit moment beslaat de landbouw zo’n twee derde van de Nederlandse grond, en levert per hectare meer op dan waar ook ter wereld. De laatste twintig jaar is de hoeveelheid landbouwgrond sterk gekrompen, met bijna een vergelijkbaar aantal hectares als de provincie Drenthe omvat. Dit als gevolg van verstedelijking en door aanwas van natuurgebieden met een sterke toename van de oppervlakte aan moeras en wetlands. Op dit moment bestaat ruim 14 procent van Nederland uit bos en natuurlijk terrein. In bijna drie kwart van deze gebieden worden de kritische waarden voor stikstof overschreden. Vanaf 1900 zien we dat heidegebieden en vooral half-natuurlijk grasland, met karakteristieke plantengroei kruidenrijk en een sterkere structuur, fors is afgenomen door intensivering van de landbouw.

‘Het is belangrijk dat wordt gekeken welk type landbouw waar het beste past’

Met deze intensivering is ook de schadelijke stikstofemissie toegenomen. Ongeveer 78 procent van alle lucht bestaat uit stikstof. Dit is niet gevaarlijk, maar er zijn ook verbindingen van stikstof in de lucht die wel schadelijk kunnen zijn voor mens en milieu. Veel boeren gebruiken mest van dieren en kunstmest om hun land te bemesten. Uit de mest verdampt stikstof als ammoniak in de lucht. Een ander deel van de stikstof kan uitspoelen naar het grondwater. De landbouw veroorzaakt zo 46 procent van de uitstoot. Hierbij moet vermeld dat de emissie in de landbouwsector sinds 1990 met zo’n 40 procent het meest is gedaald ten opzichte van. De uitstoot op dit moment komt grotendeels door de melkveehouderij (1.7 miljoen koeien). De melkveehouders worden op afstand gevolgd door de uitstoot bij akkerbouw (516.000 hectare) en varkensbedrijven (12,5 miljoen varkens). Waar de 17.000 melkveehouders verspreid over het land zitten, zie je bij de 4.300 varkensbedrijven een concentratie in Brabant met lokaal een grote uitstoot.

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

Het nieuwe wetsvoorstel betekent voor de landbouw een omslag naar toekomstbestendige (kringloop)landbouw met zo min mogelijk emissies. Er komen middelen voor investeringen in duurzame stallen, minder eiwit in veevoer en betere mestaanwending. Ook komt er een Omschakelfonds van 175 miljoen euro om boeren te helpen deze stappen te zetten. Voor boeren die vrijwillig willen stoppen komt ook geld beschikbaar. Volgens de NVM stopt de komende tien jaar tussen de 20 en 30 procent van de boeren met hun bedrijf. Hierbij is het goed om te weten dat op dit moment juist bij melkvee het aantal opvolgers met zo’n 60 procent het grootst is (bij akkerbouw en varkens 40 procent). Het is belangrijk dat wordt gekeken welk type landbouw waar het beste past. Intensieve veehouderij met een hoge uitstoot niet te dicht bij een natuurgebied en gewassen verbouwen waar de grond minder mest nodig heeft. Maar hoe innoverend is dit, en hoe gaan we hier vorm aan geven?

‘Landbouw strijdt met water, verstedelijking en energie om steeds schaarser worden de ruimte’

Landbouw strijdt met water, verstedelijking en energie om steeds schaarser worden de ruimte. Het College van Rijksadviseurs heeft hiervoor een toekomstperspectief geschetst. Ze werken sinds begin 2018 met Vereniging Deltametropool en West 8 aan Panorama Nederland. Voor de landbouw zet Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving Berno Strootman in op het sluiten van een New Deal tussen boer en burger. Dat betekent duurzame en circulaire landbouw en ruimte voor recreatie in het landschap. Zo profiteren boer, burger en natuur gezamenlijk. Op dit moment lopen er pilot projecten op zowel kleigrond, zand- en een veenweidegebied. Dit om in beeld te brengen hoe met garantie op inkomen te komen is tot een aantrekkelijk landschap met schoon water, schone lucht en voldoende biodiversiteit. Het streven is een perspectief dat voor fijn boeren staat en een herwaardering voor de omgeving oplevert.

In aanloop van de verkiezingen moet blijken hoe het voorstel van minister Schouten uitpakt. Duizenden boeren protesteren al een jaar tegen de stikstofreductie. Om de noodzakelijke reductie in 2030 te halen is het noodzakelijk het gesprek aan te gaan met deze sector. De door de Strootman gekozen aanpak geeft hiervoor een eerste houvast. Het sluit aan bij de trend van een investerende en innoverende overheid. Waar de Nederlandse regering na de kredietcrisis vasthield aan haar bezuinigingsbeleid, zien we met de coronacrisis een investerende overheid om de economische schade te beperken. Laat de overheid, in de woorden van Mariana Mazzucato hoogleraar Economics of Innovation & Public Value (University College London), als een risiconemende investeerder ook bijdragen aan een duurzame economie voor de boeren. En het huidige wetsvoorstel hiervoor kritische tegen het licht houden.

Meer over de visie van Berno Strootman: https://www.youtube.com/watch?v=A5y2dNbjE5Q

Groeten uit het nieuwe Nederland

Veel landgenoten hebben dit jaar als gevolg van de coronapandemie de vakantie in eigen land doorgebracht. Het dunbevolkte platteland van Nederland was hierbij populair. Even weg van de coronadrukte en de oververhitte stedelijke gebieden. Tot enkele jaren geleden stuurde ik vanaf ons vakantieadres een papieren ansichtkaartje naar familie en vrienden. Heel af en toe stuur ik nog wel eens zo’n kaartje, maar net als veel andere mensen stuur ik vaker een ‘digital post’.

Samenhangende aanpak

Ook bij gebiedsontwikkeling zien we een groei aan digitale kaarten. Zo is het afgelopen jaar een hele reeks aan kaarten verschenen over de grote maatschappelijke opgaven waar we voor staan. Denk aan de woningbouw, energietransitie, mobiliteit, de toekomst van het landelijk gebied, duurzame economische groei en klimaatadaptatie.

Maar de vele digitale kaarten leveren samen nog geen beeld op van hoe we Nederland in willen richten. Zoals (emeritus) hoogleraren Co Verdaas en Friso De Zeeuw deze zomer in hun publicatie Na wildwest en science fiction op zoek naar de juiste film. Naar een nieuw sturingsconcept voor de inrichting van Nederlandbepleitten, is er behoefte aan een samenhangende aanpak. Hoe kunnen de grote opgaven worden omgezet in concrete projecten? Voor de Nationale Omgevingsvisie zijn op dit moment al vele kaarten beschikbaar. Hier zien we grote verschillen in de omvang en aard van de projecten.

Verstoring

Als we kijken naar de functie met het grootste ruimtebeslag staat landbouw met stip op nummer 1, met ruim 50 procent van ons grondgebied. Nederland is de tweede exporteur van agrarische producten ter wereld. Het betreft 20 procent van onze totale export en bijna 10 procent van het bruto nationaal product. Veel landbouwgebieden veranderen echter in hoge snelheid van kleur. Dit komt niet alleen door de stikstofproblematiek en het stoppen van de ruim 400 varkensboeren in Noord-Brabant. Het gaat ook om nieuwe opgaven. Zo vraagt de energietransitie de meeste ruimte met zonneparken en windmolens. Interessant is de overlap die we zien tussen enkele van de grote windmolenparken en agrarische landbouw; denk aan de Flevopolder en de Wieringermeerpolder. Hier zien we niet alleen windmolens, maar ook een verschuiving van agrarische landbouw naar grote energieslurpende datacentra.

Een andere landschappelijke transformatie is de klimaatopgave door veranderingen in temperatuur, neerslag, verdamping en weersextremen. Joks Janssen deelde hierover deze zomer op LinkedIn digitaal gemaakte papieren kaarten. Hierop zien we dat onder andere door  ruilverkavelingen in de tweede helft van de vorige eeuw al langer een verstoring van de ‘natuurlijke’ waterbalans speelt. Vooral op de zandgronden is de hoeveelheid verdroogde grond toegenomen, met een grote impact op het agrarisch gebruik. Naast deze langetermijnontwikkelingen zijn deze zomer ook op andere plekken in het landschap de gevolgen van de klimaatverandering zichtbaar. Zo gaan er steeds minder koeien naar buiten door de langdurige hoge temperaturen Voor deze zomer stonden al 1 op de 3 koeien het hele jaar binnen, dit jaar is dat aantal fors hoger. Daarnaast heeft Nederland 161 Natura 2000-gebieden. Hiermee moet bij transformatie en nieuwe functies in het landelijk gebied rekening worden gehouden.

We zien verder het aantal vierkante meters bedrijfsterreinen en woonwijken groeien. Op dit moment nemen woonwijken zo’n 7 procent van de totale ruimte in Nederland in beslag. Dit vraagt de komende jaren ook ruimte buiten stedelijk gebied. Verder zien we op het platteland de grootste groei van bedrijfsterreinen met logistiek vastgoed. Hierbij geven we volgens Berno Strootman, rijksadviseur voor de fysieke leefomgeving, nog veel te weinig aandacht aan de landschappelijke waarden.

“We horen veel over de bezwaren van woningbouw in ons landschap, maar andere ontwikkelingen hebben veel meer impact”

Gebiedsontwikkeling is bij uitstek een vak dat gaat over het afwegen en het samenbrengen van op het oog tegenstrijdige belangen. Laten we hierbij voor grote veranderingen in het landelijk gebied niet de cultureelhistorische waarde uit het oog verliezen. Juist in het landelijk gebied heeft ons land een groot aantal landschappen en plekken met cultuurhistorische waarde. Een deel hiervan heeft ook een economisch-toeristische waarde. Denk aan onze kustgebieden, de Deltawerken, Keukenhof, Giethoorn, Kinderdijk, de Beemsterpolder, de Zaanse Schans, het eiland Marken, het Kröller-Müller Museum op de Veluwe, de Hunebedden, de vele forten die Nederland heeft en de Waddeneilanden.

Hoe willen we dat de verschillende Nederlandse kaarten van de toekomst eruitzien? We horen veel over de bezwaren van woningbouw in ons landschap, maar laten we de andere geschetste ontwikkelingen in het buitengebied niet uit het oog verliezen. Deze hebben namelijk veel meer impact. Het aantal vierkante meters landbouw zal de komende jaren afnemen en grote veranderingen doormaken. Hierbij is het belangrijk om oog te houden voor de kennis en exportwaarde van de landbouw, evenals voor het behoud en scheppen van nieuwe cultureel waardevolle gebieden. Het is tijd voor een doortastende aanpak, met als doel (vakantie-)kaarten waar we trots op mogen zijn.

Gezocht: Happy Planet Index voor gebiedsontwikkeling

De coronacrisis roept de vraag op wat gebiedsontwikkeling kan doen voor het welzijn van burgers. Welzijn is een breed begrip met twee definities. De eerste gaat over hoe goed het met iemand gaat vanuit lichamelijk, geestelijk en sociaal perspectief. En de tweede gaat over het economische perspectief, over de mate waarin de mensen hun materiële én immateriële behoeften bevredigd achten.

Benodigde miljarden

Een bruikbaar concept voor welzijn is de in 2006 gelanceerde Happy Planet Index (HPI). Dit is een index die maatregelen voor een duurzaam menselijk welzijn en de milieu-impact meet. Het Bruto Binnenlands Product (graadmeter voor de welvaart in een land) wordt als ongepast beschouwd, omdat het uiteindelijke doel voor de meeste mensen niet is om rijk te zijn, maar om gelukkig en gezond te zijn. De vertaling naar gebiedsontwikkeling maakte NEPROM in 2018 met de publicatie: Ruimte maken voor Nationaal Geluk. Daarnaast verzorgde Dura Vermeer dit jaar een digitale sessie op de Provada onder de titel The Good Life, waar gezondheid en geluk voor de gebruikers centraal staat.

Een belangrijke geluksfactor is de beschikbaarheid van woningen voor alle doelgroepen. Kijken we naar Nederland, dan staat de vraag naar middeldure (huur)woningen al jaren op de ruimtelijke agenda. Toch komt de productie maar moeizaam van de grond. Daarom is het goed dat de bouw in deze coronatijd een oproep heeft gedaan te voorkomen dat bouwplannen worden uitgesteld of geschrapt. Remkes’ adviezen over de aanpak van de stikstofproblematiek hebben hieraan bijgedragen, door de bouwsector een stikstofkrediet te geven dat in tien jaar tijd moeten worden afgelost. Daarbij heeft de Woningbouwalliantie, een groep van zeventien partijen waaronder gemeenten, ontwikkelaars, bouwbedrijven, makelaars en installateurs, een oproep gedaan richting het Rijk om de benodigde miljarden euro’s te investeren in betaalbare én duurzame huizen.

Culturele achtergrond

Het onder druk staan van woningen voor de lagere- en middeninkomens zien we niet alleen in Nederland. Dit vraagstuk speelt wereldwijd in grote steden, maakte de documentaire PUSH duidelijk. Partijen als het Amerikaanse Blackstone, de grootste mondiale durfinvesteerder, koopt van private verhuurders betaalbare woningen, knapt ze op en verhoogt de huur. Het was pijnlijk om in de documentaire te zien dat mensen met lagere inkomens uit hun woning werden verdreven en dat veel van de nieuwe woningen gewoon leegstonden. Niet vreemd dat deze Blackstone-werkwijze in Londen en Barcelona tot protesten heeft geleid. De Verenigde Naties staan aan de kant van de actievoerders. Zij geven aan dat de aanpak van Blackstone in strijd is met internationale mensenrechten, zoals het recht op een huis.

Nederland heeft gelukkig regels om de huurders te beschermen, maar ook hier zien we zeker in de grote steden een groei van het aantal woningen dat in handen is van Blackstone. Laat het Rijk niet wachten op een groei van dit type bedrijven, maar bijdragen aan het welzijn en – in lijn met de oproep van de Woningbouwalliantie – investeren in betaalbare duurzame woningen, met oog voor leeftijd, culturele diversiteit en inkomen. We weten immers al decennia dat mensen met lagere en middeninkomens het meest kwetsbaar zijn. Zij beschikken over minder sociale relaties en lagere inkomens en zijn niet of beperkt verbonden met hun eigen biologische en culturele achtergrond.

De hoogste tijd

Vanuit het welzijnsperspectief is gezondheid ook een belangrijke factor. Daarom zou het goed zijn als bij de oproep van de Woningbouwalliantie richting het Rijk ook wordt gekeken naar maatregelen die bijdragen aan onze gezondheid. Naast het verbeteren van de luchtkwaliteit gaat het om het voorkomen van sociaal isolement, het stimuleren van gezond gedrag en de inrichting van de woonomgeving. Rotterdam heeft hierin een voortrekkersrol genomen door 233 miljoen te investeren in zeven grote groene stadsprojecten. Zo krijgt Rotterdam er de komende 10 jaar een aantal grote en kleine parken bij. Dit gaat om investeringen en ruimtelijke ingrepen die bijdragen aan het stimuleren van gezond gedrag én plekken scheppen voor ontmoeting van verschillende culturen en inkomensgroepen.

Als de coronapandemie ons één ding leert, is dat het voor een mensenleven niet alleen om welvaart gaat, maar ook om welzijn. Een andere les is het dat het perspectief van waaruit de overheid kijkt nooit eenduidig is. Zo stond zeker bij het uitbreken van de crisis de invalshoek gezondheid met stip op één. Nu horen we hier kritische geluiden over en komt er weer steeds meer aandacht voor het beperken van de economische schade en bredere maatschappelijke belangen.

Hetzelfde geldt voor gebiedsontwikkeling. Het gaat om de woningnood én om aandacht voor welzijn, gezondheid, een sterke economie en de klimaatuitdagingen. Deze moeten gezamenlijk worden opgepakt. Kortom: het is de hoogste tijd voor een Happy Planet Index voor gebiedsontwikkeling, om zo bij te dragen aan een duurzame toekomst voor iedereen!

Omarm de civil economy

De effecten van coronacrisis hebben een grote impact op onze economie. Als deze één ding duidelijk maakt, dan is het dat we niet zonder de overheid kunnen. Interessant in dit perspectief is de introductie van het begrip civil economy door Pieter Jan Dijkman, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA, in mei in de NRC. Hij pleit ten eerste voor minder regelzucht door de overheid en meer burgerruimte. Ten tweede voor meer nadruk op relaties. Ten derde beschrijft hij de civil economy als de transitie van het denken in winst naar het denken in waarden.

Waarden voor duurzame inrichting van Nederland

Met de NOVI is voor gebiedsontwikkeling reeds ingezet op het eerste punt van Dijkman: minder regelzucht en meer betrokkenheid van burgers. Ook het tweede punt is herkenbaar voor gebiedsontwikkeling. Relaties maken een onmisbaar onderdeel uit van het langdurige proces om tot resultaat te komen. Naast de gangbare publiek-private samenwerking, zien we een trend dat diverse maatschappelijke organisaties initiatief nemen voor een nationale visie. Denk aan de NOVI-Alliantie, een coalitie van zeer uiteenlopende organisaties, waaronder gemeenten, reizigersvereniging Rover, Staatsbosbeheer, werkgeversorganisatie VNO-NCW en NEPROM.

Het derde punt ligt voor veel maatschappelijke vraagstukken nog open. Welke waarden vinden we belangrijk voor een duurzame inrichting van Nederland? Dit laatste punt van Dijkman heb ik eerder ook aangekaart in mijn blog ‘Het is tijd voor nieuwe winst’.

“Het is nodig breder dan alleen op economische winst te focussen”

Een gedragen aanpak

De door minister Eric Wiebes ingestelde Taskforce Infrastructuur Klimaatakkoord Industrie (TIKI) is al een heel eind op weg met een civil economy-aanpak. Alle drie de punten zijn hierin herkenbaar. Minder regelzucht door de overheid zien we terug in de instelling van een taskforce. Met een ratrace-benadering waren ze niet gekomen tot een door de betrokken partijen gedragen lange termijnplan. De taskforce heeft in beeld gebracht wat voor de betrokken partijen wenselijk en haalbaar is wat betreft CO2-opslag, waterstoftransport en verzwaring van de elektriciteitsnetwerken voor industriële clusters. De TIKI geeft aan dat afspraken voor de lange termijn noodzakelijk zijn om de industrie in staat te stellen de afgesproken reductie van de CO2-uitstoot te halen. Onderdeel hiervan is een kaart die inzichtelijk maakt hoe, wanneer en waar de energieleidingen klaar moeten zijn voor transport van waterstof en CO2-opslag.

Waterstof infrastructuur behoefte

Figuur 1: Jaar waarin behoefte aan hoofdinfrastructuur voor transport van waterstof ontstaat

Kijken we naar het derde punt dan zien we dat breder is gekeken dan economische winst. Er is ingezet op een haalbaar lange termijnplan met aandacht voor de klimaatopgave. Bij dit derde punt zien we echter ook een botsing van waarden tussen TIKI en diverse maatschappelijke organisaties. Met name bij de keuze voor CO2-opslag. Enkele argumenten tegen de CO2-opslag: dit is niet tijdelijk, maar voor altijd, het kost energie en wordt hiermee nu op een juiste wijze ingezet op CO2 vermindering? Bovendien roept het de vraag op of nieuwe ondergrondse opslag wel veilig is; denk aan de gaswinning gerelateerde aardbevingen in Groningen. Kijken we in het rapport van de taskforce, dan zien we dat hier wel oog voor is. De energietransitie betekent volgens hen een ingrijpende verandering en dat leidt per definitie tot schuring, onzekerheid en weerstand.

Betrokken burgers

Het accent in het TIKI-plan ligt op haalbaarheid, economische- en klimaatwaarden. De wijze waarop burgers worden betrokken heeft vanuit het Rijk een plek gekregen op regionaal en lokaal niveau met het RES-instrument, de regionale energiestrategie. Burgers worden betrokken in het hele scala van informeren tot het meedenken over oplossingen. Concrete voorbeelden van de meerwaarde voor burgers zijn het voorzien in energievoorziening voor elektrische auto’s en woningen. Daarnaast is een vraag hoe en waar restwarmte van datacenters kan worden gekoppeld aan bedrijfsterreinen en woningbouwlocaties.

Op weg naar een civil economy

De coronacrisis en de TIKI-aanpak maken duidelijk dat het steeds vaker nodig is om vooruit te kijken en breder dan alleen op economische winst te focussen. Dit is niet eenvoudig met de onvermijdbare negatieve economische ontwikkelingen door de coronapandemie. Maar de crisis leert ons dat het voor burgers behalve om feiten, ook om waarden gaat. Het is daarom niet vreemd dat de discussie is losgebarsten over welke bedrijven staatssteun krijgen, want welke waarden onderschrijft de overheid (en samenleving) als bedrijven als Booking.com, KLM en TataSteel steun krijgen? Laat dit een les zijn voor de toekomstige duurzame inrichting van Nederland. Laat het Rijk de koers van minder regelzucht continueren, inzetten op een TIKI-aanpak voor andere complexe maatschappelijke opgaven en van het denken in winst naar gesprekken over waarden gaan. Op naar een civil economy!

Het is tijd voor nieuwe winst

Naast de klimaatcrisis zitten we nu midden in de coronacrisis. Hierbij zien we de spanning die mondiale trends zoals de rivaliteit tussen grootmachten, nationalisme en de-globalisering opleveren. In een aantal landen wordt in deze context steeds vaker gesproken over onze houding ten opzichte van het kapitalistische systeem, gericht op het maken van winst.

Peter Bakker, bestuursvoorzitter van de World Business Council for Sustainable Development, pleitte eind maart in het FD voor het optimaliseren van het evenwicht tussen financieel, sociaal en milieukapitaal. Een aanpak die aansluit bij gebiedsontwikkeling, waar we al langer de invalshoeken People, Planet en Profit als uitgangspunt nemen voor financiële en maatschappelijke waardecreatie.

People

Tegen deze achtergrond kijk ik naar actuele vragen vanuit de drie P’s. Als eerste de invalshoek People. Op Europees niveau wijst men er terecht op dat de crisis niet alleen economisch moet worden bekeken, maar juist ook sociaal. Denk aan de zorg, het onderwijs en de culturele voorzieningen die op dit moment onmisbaar zijn. Relevante functies bij gebiedsontwikkeling vanuit het sociale perspectief zijn – naast de genoemde sectoren – de woning-, retail- en horecamarkt.

De huidige nieuwbouwwoningen blijken te duur voor veel van de woningzoekenden. De coronacrisis versterkt dit alleen maar door de stijgende werkloosheid. Relevante vragen zijn dan: wat zijn de knoppen om tot de realisatie van betaalbare woningen te komen? Van welke recente en eerdere projecten kunnen we hiervoor iets leren?

Kijken we naar de retailmarkt, dan is het op dit moment vervreemdend om de lege winkelstraten te zien. De effecten van de coronapandemie op dit segment zijn pijnlijk zichtbaar in de winkelstraten en in de gesloten restaurants en cafés. De verwachting is dat we hier te maken krijgen met een groot aantal faillissementen. Hiermee staat de kwaliteit van de openbare ruimte onder druk. En met de huidige crisis zien we ook een snelle stijging van digitale inkopen, wat ook zijn effect heeft op het programma in de winkelstraten. Belangrijke vragen hierbij: welke ontwikkelingen zijn blijvend en hoe houden we onze binnensteden qua functies en openbare ruimte aantrekkelijk?

“Met veel te verwachten faillissementen in detailhandel en de horeca staat de kwaliteit van de openbare ruimte onder druk”

Planet

Dan de invalshoek van Planet. Als gevolg van de crisis heeft het kabinet de inwerkingtreding van de Omgevingswet uitgesteld, net als eerder de Klimaatplannen. Het is onduidelijk wanneer de Omgevingswet in werking treedt en ook hoe het kabinet het verminderen van de CO2-uitstoot oppakt na de crisis. Hoe kan gebiedsontwikkeling, wetend van het uitstel van wetten, toch nu al bijdragen aan de energietransitie en klimaatadaptatie?

Met de Regionale Energiestrategieën (RES) worden de eerste stappen gezet. Deze leveren inzicht in de regionale opgaven en benodigde (nieuwe) energienetwerken. Relevante vragen hierbij: welke keuzes zijn nationaal noodzakelijk en hoe kan gebiedsontwikkeling, ondanks uitstel van de wetten, hieraan bij blijven dragen? Hetzelfde geldt voor klimaatvraagstukken. Zo moeten we onze dijken en watersystemen versterken om Nederland veilig en leefbaar te houden. Hoe vertalen we dit in klimaatadaptieve wijken?https://www.youtube.com/embed/fFiDJeouPMw?wmode=opaque

Profit

Tot slot de invalshoek Profit. Corona mag dan wel geen economische crisis zijn, het virus heeft wel grote economische gevolgen. De economie staat mondiaal en lokaal zo goed als stil. Een belangrijke kwaliteit van gebiedsontwikkeling is dat door de verbindende kracht van verschillende functies op gebiedsniveau, financieel, sociaal en milieukapitaal kan worden samengebracht en geoptimaliseerd.

De Regionale Investeringsagenda’s (RIA’s) waar door de NOVI-alliantie aan gewerkt wordt, is hiervoor een mooi voorbeeld. Welke lessen brengen deze agenda’s naar voren? En wat kunnen we leren van wijken die tijdens de vorige crisis zijn gerealiseerd? Neem het project Rijswijk-Buiten. Deze wijk kwam in de jaren van de kredietcrisis tot stand, met aandacht voor het klimaat en met betaalbare gasvrije woningen in diverse segmenten. Wat is nodig om dit soort duurzame wijken economisch haalbaar te houden? Is een grotere grondexploitatie daarvoor een geschikt instrument, zoals BPD-ceo Walter de Boer die eind maart noemde?

“In welke regio’s is steun vanuit het Rijk het hardst nodig en welke criteria worden hiervoor gebruikt?”

Nu met corona de nood hoog is, blijkt dat de Rijksoverheid besluiten helder en snel kan nemen. Laat het Rijk dit de komende jaren ook voor de diverse grote ruimtelijke vraagstukken doen, met als kernvraag in welke regio’s steun vanuit het Rijk het hardst nodig is en welke criteria hiervoor worden gebruikt. Dat schept naast investeringsruimte duidelijkheid en vertrouwen voor een gezamenlijke aanpak.

De crisis is hierbij een les, want het leert ons wat waardevol is. Kijk breder dan alleen financieel kapitaal, het is tijd voor nieuwe winst. Gezondheid en zorg staan in deze crisis met stip op één, maar ook de rol van digitale innovatie, zoals in het onderwijs, en het belang van onze cultuurwereld. Laten we voor gebiedsontwikkeling deze bril ook opzetten: wat vinden we nationaal, regionaal en op gebiedsniveau waardevol?

Tijd voor een Sociaal Deltaplan Wonen

De wens van het Kabinet is om het landelijke huizentekort de komende jaren terug te dringen door 300.000 woningen te bouwen. Met Woondeals wordt op dit moment door het Rijk en regionale publieke partijen in een aantal regio’s in beeld gebracht wat geschikte nieuwbouwlocaties zijn. Ook is recent door minister Stientje van Veldhoven aangegeven dat er een aanvullingsbrief op de NOVI komt met aanvullende concrete locaties. Kortom: het Rijk is weer in beeld in de ruimtelijke ordening.

Een pikant nieuwtje hierbij is het recente bericht dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) de samenvatting van haar jaarverslag in 2019 radicaal heeft aangepast. Het gaat om de passage dat “het systeem van ruimtelijke ordening op punten onvoldoende werkt” omdat gemeenten, provincies en het Rijk “de nationale belangen ondanks de wettelijke veranderingen regelmatig uit het oog verliezen”. Deze kritische conclusie werd uit het rapport gehaald en vervangen door de zin: “Het beeld is dat de feitelijke inpassing voldoende is”. Kortom: de decentralisatie van de ruimtelijke ordening zou goed verlopen.

We zien echter een andere ontwikkeling. Zo heeft de Tweede Kamer een motie van de PvdA en CDA aangenomen om in het volgende kabinet de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) terug te laten keren. Pleitte Roeland van der Schaaf, wethouder wonen van de Gemeente Groningen (PvdA), voor een nationaal Deltaplan voor woningbouw. En vroeg Kim Putters een Deltaplan te maken voor de krimpregio’s vanwege de vergrijzing en een teruglopend aantal voorzieningen.

Een nieuw ministerie van VROM vraagt tijd. Met de huidige woningnood is een nationaal Deltaplan op dit moment dus de beste oplossing.

Hoe zou dit eruit kunnen zien? In een zestal regio’s is met een Woondeal een eerste aanzet gemaakt voor geschikte nieuwbouwlocaties voor een Deltaplan. Een leerzame deal is gemaakt in de regio Arnhem-Nijmegen. Door het Rijk, de Provincie Gelderland en 18 gemeenten is hier een Woondeal gesloten om snel meer woningen te bouwen. Tot 2025 moeten er 20.000 woningen bijkomen, op de lange termijn zelfs 50.000 tot 60.000. De Woondeal moet ervoor zorgen dat er sneller en meer betaalbare huur- en koopwoningen worden bijgebouwd. Naast de woningbouwopgave is ook gekeken naar de bereikbaarheid van de betreffende bouwlocaties. Verder zet burgermeester Ahmed Marcouch van Arnhem ook in op de aanpak van economische ongelijkheid met het verbeteren van de leefbaarheid en het vooruit helpen van kwetsbare wijken.

In zijn nieuwe boek Kapitaal en Ideologie pleit Thomas Piketty ook voor de aanpak van economische ongelijkheid. De groei van deze ontwikkeling doet zich volgens Piketty sinds de jaren ’80 en ’90 vrijwel overal ter wereld voor. Volgens hem is hier na de kredietcrisis veel te weinig aandacht voor geweest. De markt blijkt niet zelfregulerend, aldus Piketty. Hij pleit daarom voor een nieuw socialisme, met onder meer hogere belastingen voor de topinkomens en medezeggenschap voor burgers. Met een multidisciplinaire aanpak om te komen tot een evenwichtig perspectief op het gebied van gelijkheid, sociaal eigendom, onderwijs en de verdeling van kennis en macht.

Kijken we naar Nederland, dan zien we dat het reëel besteedbaar inkomen van huishoudens sinds eind jaren ‘70 nauwelijks is toegenomen. De groei van het inkomen is sterk achtergebleven bij de economische groei. Binnen Europa is de sociale ongelijkheid in periode van 1980 tot 2020 gestegen met 30 tot 35 procent. Binnen Nederland ligt dit percentage lager, maar verdient het evengoed aandacht. Zo is het aantal sociale huurwoningen gedaald van 40 procent in 1989 tot 28 procent in 2020 en zijn de prijzen in de vrijehuursector gestegen. Ook is het gat tussen meer en minder leefbare wijken toegenomen.

Binnen Nederland is de sociale ongelijkheid lager, maar verdient het evengoed aandacht

Dat bovenstaande sociale ongelijkheid is gestegen vanaf de jaren ‘80 is mede een gevolg van de marktwerking in de publieke sector, de deregulering en privatisering. Dit wetende zijn de volgende punten belangrijk voor een Sociaal Deltaplan Wonen:

  • Samenwerking tussen overheden en de markt. Kijk voor de uitvoering van de Woondeals en andere concrete locaties samen met marktpartijen welke gebieden snel te ontwikkelen zijn. Leer hierbij van de vinexwijken. Welke wijken zijn sociaal-economisch het meest succesvol in leefbaarheid als gekeken wordt naar wijken met (sociale)huur- en koopwoningen?
  • Sociale invalshoek. Naast de Woondeal-locaties is het belangrijk om steden met een relatief eenzijdige woningvoorraad hoog op de agenda te zetten. Deze steden zijn gebaat bij herstructurering en het toevoegen van nieuwbouw. Denk naast kwetsbare wijken aan vergrijsde wijken, groeiende migratie en sommige groeikernen uit de jaren ‘70 waar sprake is van een eenzijdige woningvoorraad.
  • Haalbaarheid en betaalbaarheid. Problemen, zeker voor betaalbare huisvesting zijn onder meer de grondprijs, stijgende bouwkosten en de schaarste aan werknemers in de bouw. Laat publieke partijen niet altijd de hoofdprijs vragen voor de grond. En stimuleer sneller en voordeligere systeembouw en flexwonen aan de private kant.

Regie van het Rijk voor dit alles is geen overbodige luxe. Met de Woondeals en de recente stevige boodschappen van minister Stientje van Veldhoven voor aanpak van de woningnood zijn de eerste stappen voor een Sociaal Deltaplan wonen gezet. Het is belangrijk dat dit plan met de markt wordt afgestemd om de urgente woningbouwopgave gezamenlijk, haalbaar en zo efficiënt mogelijk uit te voeren. Dit zonder de kwaliteit en de sociale problematiek waar Putters, Marcouch en Piketty op duiden uit het oog te verliezen.

Hernieuwde aandacht voor kwetsbare wijken

Cover: ”Vuilcontainers/Dumpsters” (CC BY 2.0) by FaceMePLS

Het aantal kwetsbare wijken neemt toe, blijkt uit onderzoek in opdracht van Aedes naar de leefbaarheid in wijken met veel corporatiewoningen. De sociale segregatie neemt toe, de leefbaarheid neemt af, de criminaliteit stijgt, er is een gebrek aan samenhang, en mensen spreken elkaar niet meer. De grote uitdaging is hoe we de slinger van benodigde maatregelen en investeringen voor deze wijken weer in beweging krijgen. Want wie wil graag horen dat hij of zij in een zwakke wijk woont?

De novelle voor de nieuwe Woningwet in 2015 beoogde verbetering van het functioneren van woningcorporaties als ondernemingen met een louter maatschappelijke taak. Dat is een taak die echter maar zeer beperkt kon worden uitgevoerd. Voor 2015 droegen veel corporaties bij aan het realiseren van wijken met een diversiteit aan huur- en koopwoningen. Na de invoering van die nieuwe Woningwet zijn corporaties echter voorzichtig geweest met herstructurering van sociale woningcomplexen tot vrijesector- of koopwoningen, zeker in kwetsbare wijken waar marktpartijen niet wilden investeren.

De disciplinerende impact van de bijbehorende verhuurdersheffing van de Woningwet beperkte de investeringsruimte voor veel corporaties. Daarom is het goed dat woningcorporaties met ingang van dit jaar voor betaalbare huurwoningen een heffingskorting kunnen aanvragen. In aansluiting hierop vragen corporaties aan de overheid om de markttoets af te schaffen, zodat woningcorporaties ook middenhuurwoningen kunnen bouwen in wijken waar nu te veel sociale huurwoningen staan. Dit maakt dat de slinger weer gaat bewegen, ook voor andere partijen.

Een eerste voorbeeld is de recent getekende intentieverklaring tussen de gemeente Amsterdam, de leden van de Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed (IVBN), Vastgoed Belang en NEPROM, om samen te zorgen voor meer betaalbare woningen. Ze maken afspraken over de bouw van nieuwe woningen voor middeninkomens, het betaalbaar houden van bestaande woningen en het toewijzen van huurwoningen aan beroepsgroepen als leraren en zorgverleners.

Gewenste grondopbrengst

Wat valt hieruit te leren? Als eerste dat de gemeente gaat voor een acceptabel rendement voor betrokken partijen door passende grondprijzen te rekenen. Een mogelijke tweede les is om in te zetten op afspraken op stedelijk niveau tussen corporaties, gemeenten, beleggers en marktpartijen, en hierbij de kwetsbare wijken ook op de agenda te zetten.  

Een andere locatie waarvan we kunnen leren, is de locatie Valkenburg. Hier was jarenlang sprake van touwtrekkende partijen, waardoor de ontwikkeling van dit gebied stagneerde. De gemeente Katwijk wilde voor dit gebied 5 duizend woningen realiseren met 25 procent sociale woningbouw en 20 procent woningbouw voor de middeninkomens. Dit stond echter onder spanning met de hoge grondprijs die door het Rijksvastgoedbedrijf werd gevraagd. Om deze impasse te doorbreken heeft de gemeente Katwijk voorgesteld om 600 extra woningen te bouwen voor de middengroepen. Met deze aanpak krijgt het Rijk de gewenste grondopbrengst en kan worden ingezet op doorstroom uit kwetsbare wijken en gemengde nieuwbouwwijken.

Gerechten delen

Maar er moet niet alleen naar de fysieke kant worden gekeken. Voor de huidige kwetsbare wijken is het belangrijk te erkennen dat de sociale vraagstukken een groot deel van het probleem zijn. Denk aan de samenstelling naar inkomen, culturele achtergrond en de zorgvraag. Ook is in deze wijken vaak sprake van werkeloosheid, schulden en (fysieke en psychische) klachten bij inwoners. Door in te zetten op een wijk met diverse woningen (waaronder middeninkomens), verdwijnen de sociale problemen in de wijk niet direct, maar ze worden wel overzichtelijker. Ook wordt de doorstroom naar middenhuurwoningen gestimuleerd.

Kwetsbare wijken in ontwikkeling vragen echter om meer. De documentaire van Felix Rottenberg over de Akbarstraat in de Amsterdamse Kolenkitbuurt, voorheen een achterstandswijk, laat zien dat de sociale contacten tussen diverse culturen niet op voorhand toenemen door het toevoegen van koopwoningen en woningen met hogere huren. De documentaire maakt duidelijk dat we nog een lange weg te gaan hebben in de omgang met elkaar van diverse culturen.

Een leerzaam voorbeeld is het Verhalenhuis Belvédère in Rotterdam, in de gemengde wijk Katendrecht. Het betreft een coöperatie van lokale ondernemers die mensen uit diverse culturen willen verbinden via het uitwisselen van persoonlijke verhalen van individuen en gemeenschappen. Denk aan het delen van gerechten, migrantenverhalen, sociale foto’s en groepsportretten, evenementen, tentoonstellingen en openbare feesten.

Kortere wachttijd

Verschillende partijen kunnen bijdragen aan de kwetsbare wijken. Een heldere rolverdeling is hierbij essentieel. Laat de corporaties hiervoor van elkaar leren en de investeringsslinger voor de kwetsbare wijken samen met andere partijen weer in beweging brengen. Zorg dat gemeenten de fysieke kant niet vergeten en ook kijken naar de ligging in de stad, naar de omringende wijken en de nabijgelegen voorzieningen. Hoe is de bereikbaarheid, is er sprake van goed openbaar vervoer of slechte verbindingen naar wijkvoorzieningen en het centrum? En hoe ziet de aanpak van de energietransitie eruit?

Inzet op verschillende woningtypen is zeker niet de ultieme oplossing voor kwetsbare wijken, maar het draagt wel bij aan een kortere wachttijd voor middenhuurwoningen en het niet nog verder achteruitgaan van de leefbaarheid in de kwetsbare wijken.