Nieuwe ontwerpmethode voor de openbare ruimte: bekijk bovengrond en ondergrond in samenhang

Amsterdam-Zuidoost, gebied Amstel-Stad. Foto: Gemeente Amsterdam/Your Captain, 2020

Door Agnes Franzen

27 okt 2020 – Het aantal ruimtelijke opgaven in de openbare ruimte neemt de afgelopen jaren dermate toe, dat een nieuwe methode nodig is om al die ruimteclaims een plek te geven. Dit wordt uitgewerkt in het boek ‘Integrale ontwerpmethode openbare ruimte’, ontwikkeld door de gemeente Amsterdam. Recensent Agnes Franzen: “De noodzaak van een integrale aanpak tussen bovengrond én ondergrond neemt toe.”

Gebiedsontwikkeling werkt vanuit een integrale benadering. De gemeente Amsterdam zag dat deze aanpak ook nodig was voor de openbare ruimte. Dit heeft geresulteerd in een kloek boekwerk: Integrale ontwerpmethode openbare ruimte. Aan de hand van de casus Amstel-Stad, een gebied aan de zuidoost kant van Amsterdam, wordt ingegaan op de complexe en actuele opgaven voor het inrichten van de openbare ruimte. Zowel boven als onder de grond.

Steeds meer ruimtelijke opgaven

Het gebied Amstel-Stad is een lange zone, tussen het Amstelstation in het noorden en het Amsterdam UMC in het zuiden. Het gebied wordt in het westen begrensd door de A2 en aan de oostkant ligt de Bijlmermeer. Het is een gebied met diverse initiatieven voor ontwikkeling en transformatie (pdf) en in totaal is er ruimte voor zo’n 25.000 tot 50.000 woningen.

In de komende 20 jaar gaan alle straten in Amsterdam op de schop. Dit is nodig omdat het aantal opgaven in de openbare ruimte toeneemt. Denk aan klimaatadaptatie, de energietransitie plus het perspectief van een circulaire aanpak. Om al deze opgaven te realiseren is het nodig om deze een plek te geven in de openbare ruimte, zowel boven als onder de grond. Amstel-Stad staat voor een grote inpassingsvraag in de openbare ruimte en dient daarom als casus hoe al die ruimteclaims op een goede manier te integreren. Hiervoor is een nieuwe methode ontwikkeld om te komen tot een integrale afweging van de diverse ruimtelijke opgaven. De in het boek beschreven nieuwe methode richt zich op het gebied op het ‘Tussenniveau’ tussen gebiedsontwikkeling en de Structuurvisie in. Dit omdat zich daar gebiedsoverstijgende netwerkstructuren bevinden zoals groenstructuren, wateropgaven, aanleg van leidingen en nieuwe energienetwerken. En er zo beter integraal gewerkt kan worden.

Een team van gemeentelijke openbare ruimte ontwerpers, stedenbouwkundigen, technische experts en beheerders heeft twee jaar gewerkt aan de tweedelige publicatie over een nieuwe ontwerpmethode voor de openbare ruimte. Het eerste deel gaat in op het theoretische kader, de werkmethode en toepassingen uit het Werkboek aan de hand van voorbeeldstraten en mogelijke inrichtingen in Amstel-Stad. Het tweede deel, het Werkboek, geeft een indrukwekkend overzicht van de ruimtelijke opgaven en mogelijke ontwerpoplossingen. Met als gebiedsthema’s: Leefmilieu, Water, Flora & Fauna, Energie, Bodem en ondergrond, Mobiliteit en Materialen. Voor al de zeven gebiedsthema’s wordt een overzicht van mogelijke maatregelen geschetst met bijbehorende ruimtelijke uitwerking(en). Voor het ontwikkelen van de werkmethode is inhoudelijk intensief afgestemd met gemeentelijke afdelingen, en onderzoekers van universiteiten.

“Een vraag voor toepassing van deze methode in de praktijk is hoe deze aanpak een goede plek kan krijgen in het proces van gebiedsontwikkeling”

Een integraal ontwerp van de openbare ruimte boven en onder de grond kan niet zonder aanpassing van de spelregels, van de wetgeving en van financiële en beleidskaders. Er zijn drie beleidsniveaus waar ontwerpers rekening mee moeten houden. De kaders van landelijke wet- en regelgeving, de schaal van de stad met de structuurvisie, en het gemeentelijk beleid op gebiedsniveau. Deze kaders zijn niet toereikend, daarom is gekozen voor een Tussenniveau dat vraagt om een nieuwe aanpak en nieuw beleid. De Omgevingswet, die in 2021 in werking treedt, sluit hier goed op aan. De Omgevingswet biedt de gemeente ruimte om samen met relevante stakeholders te komen tot een integrale afweging en besluitvorming. De publicatie en de ontwerpmethode lopen hierop vooruit.

Nieuwe ontwerpmethode

De nieuwe ontwerpmethode begint met het inventariseren van bestaande beleidskaders. De eerder genoemde zeven gebiedsthema’s, vertaald naar ruimtelijke opgaven, zijn hierbij leidend. Op basis van analyses van de bestaande situatie en toekomstige potenties wordt het ambitieniveau vastgesteld aan de hand van een Ambitieweb: een grafische weergave van ambities binnen diverse sociaaleconomische en duurzaamheidsthema’s. Op basis van het landelijke Ambitieweb is een Amsterdamse versie gemaakt, waarbij Ecologie onder Flora en Fauna valt, Welzijn onder Leefmilieu en Bereikbaarheid onder Mobiliteit. Daarnaast ligt het accent op fysieke en duurzaamheidsaspecten en zijn de sociale subthema’s van de ambities Sociale relevantie en Welzijn nog achterwege gelaten. Naast de zeven gebiedsthema’s, bevat het Ambitieweb de onderwerpen: investeringsagenda, het vestigingsklimaat, sociale relevantie, ruimtelijke kwaliteit en  ruimtegebruik.

De grootste uitdaging is om per locatie een match te maken tussen de strategie voor het plangebied, de gestelde ambities en duurzaamheidsthema’s plus de enorme verzameling aan mogelijke technische maatregelen op verschillende schaalniveaus in de openbare ruimte en ondergrond. Sleutel in de aanpak is om met prestatiedoelen de ruimtelijke opgaven van de zeven gebiedsthema’s te trechteren tot locatie specifieke prestaties voor een straat of plein. Dit vraagt een integrale aanpak en een iteratief proces. Welke maatregelen versterken elkaar? En waar zijn combinaties mogelijk om de ambities (meetbare doelen) te behalen? De kracht van de methode zit volgens de auteurs in een vroegtijdige samenwerking met de relevant stakeholders om te komen tot het gezamenlijk vaststellen van de ambitie en de uitvoering. 

Bij de ontwerpmethode worden zes stappen onderscheiden:

1. inventarisatie van het plangebied
2. een analyse aan de hand van de klimaateffectenatlas en ruimtelijke opgaven (en invullen Ambitieweb)
3. de strategie openbare ruimte bepalen (technische aanpak, topambities, prestatiedoelen)
4. een selectie van maatregelen en programmeren profielen
5. het vaststellen van de investeringsagenda voor gebiedsoverstijgende netwerkstructuren
6. ontwerp en uitvoering van straat, plein of plantsoen als basis voor concrete uitvraag voor marktpartijen.

Boekrecensie 'Integrale ontwerpmethode openbare ruimte' beeld

Kansen in een gebied in beeld brengen

Het Werkboek biedt diverse uitwerkingen en maatregelen. Elke maatregel heeft een of meerdere unieke uitwerkingen waaruit ontwerpers kunnen kiezen om te komen tot een duurzame en toekomstbestendige inrichting van de openbare ruimte, ondergrond en de aangrenzende buitenschil van de bebouwing. Per gebiedsthema en schaalniveau worden diverse mogelijke uitwerkingen geschetst. De schaalniveaus voor de maatregelen zijn: een gebied, de netwerken, maatregelen in de openbare ruimte, maatregelen op kavelniveau en maatregelen op gebouwniveau (met accent op de buitenschil). Graag licht ik het gebiedsthema Flora & Fauna eruit. Dit is op dit moment nog onderbelicht in gebiedsontwikkeling en verdient meer aandacht. In deel 1 zijn kaarten opgenomen van Amstel-Stad over Groenstructuren, Biodiversiteit en Gebruik & beleving in zowel de huidige als potentiële situatie.

Bij de kaarten Groenstructuur wordt ingegaan op mogelijke bomenlanen, een nieuw park en mogelijkheden voor groene daken op bestaande panden en nieuwe bebouwing. Interessant zijn de kaarten Biodiversiteit. Hier is gekeken welke dieren zich op dit moment al in het gebied bevinden. Naast diverse typen vogels, zijn ook dieren die zich over de grond en in het water bewegen zoals vossen, bijen en baarzen, meegenomen. In de potentiekaart zien we onder meer kansrijke locaties voor mogelijke faunatunnels en waterverbindingen. Met deze aanpak worden per gebied de kansen helder in beeld gebracht en vervolgens in het Werkboek met ontwerpvoorbeelden vertaald in mogelijke oplossingen. Zoals bijvoorbeeld een corridor voor kleine organismen en diverse oplossingen voor groene daken. De geschetste maatregelen vragen om een vroegtijdige samenwerking van actoren vanuit de invalshoeken van het Ambitieweb in het proces van een gebiedsontwikkeling.

Duurzame inrichting van de openbare ruimte

De ambitie van de gemeente Amsterdam is om de locatie Amstel-Stad als onderdeel van de economisch sterke en goed bereikbare zuidflank van de metropool te ontwikkelen, transformeren en te intensiveren. De kwaliteit van deze publicatie is dat het een koppeling maakt tussen ondergrondse opgaven en de kansen die er liggen in de bovengrondse openbare ruimte voor actuele ruimtelijke vraagstukken. Voor stedenbouwkundigen maar ook voor andere betrokken partijen inspireert het Werkboek met haar integrale aanpak op het Tussenniveau en prachtig verbeelde mogelijke oplossingen voor een duurzame inrichting van de openbare ruimte.

“Deze publicatie maakt een koppeling tussen ondergrondse opgaven en kansen in de bovengrondse openbare ruimte, voor actuele ruimtelijke vraagstukken”

Vanwege de integrale benadering, sluit de nieuwe methode voor de openbare ruimte goed aan op de NOVI-aanpak en daarnaast is de inzet van het Rijk om de publicatie mee te nemen in de City Deals. Deze richten zich op het versterken van de (economische-) groei, innovatie en leefbaarheid in steden, op kennisdeling en het maken van concrete afspraken tussen steden, Rijk, andere overheden, bedrijven en maatschappelijke instellingen.

Wat nog wel een vraag is voor toepassing van de methode in de praktijk, is hoe en op welk moment deze aanpak een goede plek kan krijgen in het proces van gebiedsontwikkeling. Het werken op een Tussenniveau vraagt om andere beleid en het eerder betrekken van publieke en private stakeholders. Wat hierbij aandacht verdient is het kijken vanuit het perspectief van de relevante stakeholders. Een ander punt is, zoals Yvonne van der Laan, waarnemend directeur Ruimtelijke Ordening (ministerie BZK) onlangs terecht stelde, dat het boek niet ingaat op ruimtelijke besluitvorming. Wie mag wanneer en waar over spreken en komen tot besluitvorming in de eigen organisatie?

Het zou goed zijn om de uiteindelijke inrichting van de openbare ruimte van Amstel-Stad te monitoren. Zo kan een beter inzicht worden verkregen in welke publieke- en private spelers op welk moment aan tafel komen voor de besluitvorming om vervolgens te komen tot inrichting en uitvoering. Een ander aandachtspunt is wat van deze aanpak geleerd kan worden voor gebieden waar de transformatieopgave (nieuwbouw) beperkt is, zoals in onze binnensteden. Ook hier ligt de uitdaging om tot een duurzame inrichting van de openbare ruimte te komen. Dat zijn twee mooie invalshoeken voor het vervolg.

Cover: Amsterdam-Zuidoost, gebied Amstel-Stad. Credit Gemeente Amsterdam/Your Captain

Meer weten over de publicatie ‘Integrale ontwerpmethode openbare ruimte’ en de betekenis hiervan? De gemeente Amsterdam organiseert, in samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gemeenten en andere stakeholders op donderdag 29 oktober van 14.30 tot 17.15 uur . Terugkijken kan: https://eventro.co/gemeente-amsterdam/integrale-aanpak-openbare-ruimte/live Samenwerken is deze middag een belangrijk thema en dit maken we dan ook direct concreet. Ministeries en een aantal gemeenten en steden, waaronder Amsterdam ondertekenen deze dag de City Deal openbare ruimte. Met het ondertekenen van deze deal geven partijen aan met elkaar aan de slag te willen gaan om te komen tot een nieuwe aanpak voor toekomstbestendige stedelijke gebiedsontwikkeling.

Geef de boer die wil een toekomstperspectief

Vorige week stuurde minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) het wetsvoorstel Stikstofreductie en natuurverbetering naar de Tweede Kamer. De kritiek op het wetsvoorstel is luid en meerstemmig. De dichtheid van stikstof in de atmosfeer is binnen de EU het hoogst boven het dichtbevolkte Nederland. Het adviescollege Stikstofproblematiek, met Remkes als voorzitter, adviseerde eerder om de stikstofuitstoot te halveren tot 2030, bijna twee keer zoveel als nu wordt voorgesteld. Dat 32 procent van de stikstofuitstoot uit het buitenland komt, maakt het niet eenvoudiger. De ministeries van Infrastructuur en Water en Economische Zaken en Klimaat vinden dat de landbouw veel te weinig bijdraagt aan het verminderen van de uitstoot.

Op dit moment beslaat de landbouw zo’n twee derde van de Nederlandse grond, en levert per hectare meer op dan waar ook ter wereld. De laatste twintig jaar is de hoeveelheid landbouwgrond sterk gekrompen, met bijna een vergelijkbaar aantal hectares als de provincie Drenthe omvat. Dit als gevolg van verstedelijking en door aanwas van natuurgebieden met een sterke toename van de oppervlakte aan moeras en wetlands. Op dit moment bestaat ruim 14 procent van Nederland uit bos en natuurlijk terrein. In bijna drie kwart van deze gebieden worden de kritische waarden voor stikstof overschreden. Vanaf 1900 zien we dat heidegebieden en vooral half-natuurlijk grasland, met karakteristieke plantengroei kruidenrijk en een sterkere structuur, fors is afgenomen door intensivering van de landbouw.

‘Het is belangrijk dat wordt gekeken welk type landbouw waar het beste past’

Met deze intensivering is ook de schadelijke stikstofemissie toegenomen. Ongeveer 78 procent van alle lucht bestaat uit stikstof. Dit is niet gevaarlijk, maar er zijn ook verbindingen van stikstof in de lucht die wel schadelijk kunnen zijn voor mens en milieu. Veel boeren gebruiken mest van dieren en kunstmest om hun land te bemesten. Uit de mest verdampt stikstof als ammoniak in de lucht. Een ander deel van de stikstof kan uitspoelen naar het grondwater. De landbouw veroorzaakt zo 46 procent van de uitstoot. Hierbij moet vermeld dat de emissie in de landbouwsector sinds 1990 met zo’n 40 procent het meest is gedaald ten opzichte van. De uitstoot op dit moment komt grotendeels door de melkveehouderij (1.7 miljoen koeien). De melkveehouders worden op afstand gevolgd door de uitstoot bij akkerbouw (516.000 hectare) en varkensbedrijven (12,5 miljoen varkens). Waar de 17.000 melkveehouders verspreid over het land zitten, zie je bij de 4.300 varkensbedrijven een concentratie in Brabant met lokaal een grote uitstoot.

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

Het nieuwe wetsvoorstel betekent voor de landbouw een omslag naar toekomstbestendige (kringloop)landbouw met zo min mogelijk emissies. Er komen middelen voor investeringen in duurzame stallen, minder eiwit in veevoer en betere mestaanwending. Ook komt er een Omschakelfonds van 175 miljoen euro om boeren te helpen deze stappen te zetten. Voor boeren die vrijwillig willen stoppen komt ook geld beschikbaar. Volgens de NVM stopt de komende tien jaar tussen de 20 en 30 procent van de boeren met hun bedrijf. Hierbij is het goed om te weten dat op dit moment juist bij melkvee het aantal opvolgers met zo’n 60 procent het grootst is (bij akkerbouw en varkens 40 procent). Het is belangrijk dat wordt gekeken welk type landbouw waar het beste past. Intensieve veehouderij met een hoge uitstoot niet te dicht bij een natuurgebied en gewassen verbouwen waar de grond minder mest nodig heeft. Maar hoe innoverend is dit, en hoe gaan we hier vorm aan geven?

‘Landbouw strijdt met water, verstedelijking en energie om steeds schaarser worden de ruimte’

Landbouw strijdt met water, verstedelijking en energie om steeds schaarser worden de ruimte. Het College van Rijksadviseurs heeft hiervoor een toekomstperspectief geschetst. Ze werken sinds begin 2018 met Vereniging Deltametropool en West 8 aan Panorama Nederland. Voor de landbouw zet Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving Berno Strootman in op het sluiten van een New Deal tussen boer en burger. Dat betekent duurzame en circulaire landbouw en ruimte voor recreatie in het landschap. Zo profiteren boer, burger en natuur gezamenlijk. Op dit moment lopen er pilot projecten op zowel kleigrond, zand- en een veenweidegebied. Dit om in beeld te brengen hoe met garantie op inkomen te komen is tot een aantrekkelijk landschap met schoon water, schone lucht en voldoende biodiversiteit. Het streven is een perspectief dat voor fijn boeren staat en een herwaardering voor de omgeving oplevert.

In aanloop van de verkiezingen moet blijken hoe het voorstel van minister Schouten uitpakt. Duizenden boeren protesteren al een jaar tegen de stikstofreductie. Om de noodzakelijke reductie in 2030 te halen is het noodzakelijk het gesprek aan te gaan met deze sector. De door de Strootman gekozen aanpak geeft hiervoor een eerste houvast. Het sluit aan bij de trend van een investerende en innoverende overheid. Waar de Nederlandse regering na de kredietcrisis vasthield aan haar bezuinigingsbeleid, zien we met de coronacrisis een investerende overheid om de economische schade te beperken. Laat de overheid, in de woorden van Mariana Mazzucato hoogleraar Economics of Innovation & Public Value (University College London), als een risiconemende investeerder ook bijdragen aan een duurzame economie voor de boeren. En het huidige wetsvoorstel hiervoor kritische tegen het licht houden.

Meer over de visie van Berno Strootman: https://www.youtube.com/watch?v=A5y2dNbjE5Q

Doe de Tienkamp: naar een klimaatadaptatieve woonomgeving

Door Fransje Hooimeijer en Agnes Franzen

16 okt 2020 – De gevolgen van klimaatverandering vragen om veel meer aandacht voor een klimaatadaptatieve inrichting van de woonomgeving. Zowel in de bestaande gebouwde omgeving als in nieuwe gebiedsontwikkelingen is het niet alleen nodig dat experts samenwerken, dat geldt ook voor relevante stakeholders. Bovendien is het van belang om op het vlak van techniek, budgetten en informatieverzameling systemen beter met elkaar te verbinden.

Over ‘Doe de tienkamp!’

Dit jaar publiceert de leerstoel gebiedsontwikkeling van de TU Delft een update van ‘Doe de tienkamp!’ uit 2011. Onder de overkoepelende triple P-benadering van People, Planet en Profit gaan we aan de hand van tien thema’s na hoe duurzame gebiedsontwikkeling de afgelopen tien jaar in de praktijk vorm heeft gekregen. Ieder hoofdstuk behandelt een belangrijk thema van duurzame gebiedsontwikkeling en bespreekt enkele wetenschappelijke inzichten, dilemma’s en instrumenten. We sluiten altijd af met een praktijkcasus met een verbinding tussen People, Planet en Profit.

In Nederland heeft klimaatverandering door de geografische en topografische situatie impact op de temperatuur en waterhuishouding. Het begrip klimaatadaptatie duidt in ruimtelijke ontwikkelingen op ingrepen ten aanzien van water en het microklimaat die nodig zijn vanwege het opwarmen van de aarde door CO2-uitstoot. Het hydrologische systeem verandert door deze opwarming. Het resultaat is warmer zeewater dat uitzet en in volume toeneemt met als gevolg stijgende zeespiegels, snellere verdamping waardoor regenbuien heftiger worden en gletsjers die smelten en rivieren die meer water moeten afvoeren. Zo is het tempo waarin de Antarctische ijskap smelt in vijf jaar verdrievoudigd in vergelijking met honderd jaar geleden en valt er over het hele jaar meer dan twintig procent regen in intense buien.

De verwachte zeespiegelstijging en extremere weerpatronen zetten het geografische en topografische systeem onder druk. De voorspellingen zijn onzeker maar een zeespiegelstijging van anderhalve meter in de komende 80 jaar lijkt niet ondenkbaar. Tegelijkertijd is er ook sprake van bodemdaling in de Nederlandse veengebieden waarmee het probleem in absolute getallen vergroot wordt. Daar komt bij dat zeespiegelstijging verzilting van het rivier- en grondwater versterkt. Aan al deze gevolgen van klimaatverandering zal in de ruimtelijke inrichting rekening gehouden moeten worden. Het is dan ook van belang dat de klimaatopgave in de nieuwe Omgevingswet en Omgevingsplannen een vanzelfsprekend onderdeel wordt van de daarin gestimuleerde integrale aanpak van ruimtelijke ontwikkeling. 

Klimaatadaptatie als richting

De opwarming van de aarde zorgt voor stijging van de zeespiegel met als gevolg hittestress in steden, en veranderende regenpatronen met zowel hevige regenbuien als ook juist perioden van droogte. De ruimtelijk opgaven van klimaatadaptie zijn derhalve het beperken van de gevolgen van hogere temperaturen, omgaan met droogte, beschermen tegen dreiging van water en afhandelen van rivier- en regenwater in de steden.

Om deze urgente opgaven te tackelen is op nationale schaal het Deltaprogramma gestart en op lokale schaal hebben de verschillende steden hun eigen adaptatieprogramma geformuleerd. Het Deltaprogramma behelst enerzijds de verbetering van de waterveiligheid en anderzijds de ‘ruimtelijke adaptatie’: het ruimtegebruik aanpassen en voorzieningen treffen om bestand te zijn tegen stortbuien en hittegolven.

Ruimte voor de Rivier

Een internationaal vernieuwend project is het Nederlandse nationale programma Ruimte voor de Rivier dat streeft naar een veiliger rivierengebied én een aantrekkelijke leefomgeving. Op ruim dertig plaatsen langs aftakkingen van de Rijn, zoals de IJssel, Waal, Nederrijn en Lek krijgt de rivier meer ruimte zodat vier miljoen bewoners van het rivierengebied beter beschermd zijn tegen overstromingen. In Nijmegen is een ‘by-pass’ gegraven en de overkant met nieuwe bruggen aan de stad verbonden. Daardoor is een ‘rondje’ ontstaan dat gebruikt wordt als wandel- en hardlooproute, vergelijkbaar met Central Park in New York of The Castle in Tokio. Het linken van de grote schaal op het gebied van riviermanagement aan de kleinste schaal van het wonen is in dit project heel bewust gelegd. Het voorbeeld van Gendtse Waard (zie het kader onder dit artikel) licht deze aanpak verder toe.

Experts en stakeholders

Ruimtelijke adaptatie wordt op verschillende manieren aangepakt. Door gemeenten te vragen een klimaattest uit te voeren om in te schatten in hoeverre hun grondgebied op het veranderende klimaat moet worden aangepast. In de stedelijke vernieuwingsopgave moet rekening gehouden worden met een bestaande stedelijke constellatie van gebouwen, openbare ruimte en bewoners waardoor de transitie gebonden is aan een beperkt scala aan oplossingen en vaak meer tijd in beslag neemt dan in nieuwe gebiedsontwikkelingen. Mogelijke oplossingen in de bestaande bebouwde omgeving zijn vaak een-op-een afhankelijk van de eigendomsverhoudingen: in gebouwen en tuinen zijn veelal private partijen aan zet, in de openbare ruimte de gemeente. De gemeente kan in het ontwerp van de openbare ruimte streven naar een zo hoog mogelijk infiltrerend vermogen, maar als alle tuinen in een buurt versteend blijven dan heeft dit weinig effect. Een integrale aanpak vraagt in het geval van ruimtelijke adaptatie niet alleen samenwerking tussen specialisten, maar ook tussen stakeholders.

Goede Rotterdamse voorbeelden

Op lokale schaal zijn gemeenten programma´s gestart, zoals het Rotterdamse Climate Initiative, tegenwoording Rotterdams Weerwoord, waarin met name op de ruimtelijke adaptatie wordt ingezet. Deze strategie biedt het kader voor een toekomstbestendige ontwikkeling van Rotterdam en zorgt ervoor dat bij elke (ruimtelijke) ontwikkeling vanaf het begin van het proces onderwerpen als waterveiligheid, bereikbaarheid en robuustheid van de stad als uitgangspunten worden meegenomen. En dat heeft resultaat. Door de aanleg van groene daken te stimuleren telt Rotterdam nu ruim 220.000 vierkante meter ‘groen dak’. De aanleg van het Dakpark combineert diverse functies. Het fungeert als primaire waterkering, doet dienst als park voor de naastgelegen wijk en herbergt een shoppingcentrum met een grote aantrekkingskracht. In Rotterdam zijn ook twee ondergrondse waterbergingen gerealiseerd die overtollig water tijdens intense regenbuien opvangen: de Museumparkgarage (10.000 m3, 2011) en de Kruispleinparkeergarage (2.800 m3, 2013). Daarnaast zijn verschillende blauwe verbindingen, vergroende ruimten en waterpleinen aan de openbare ruimte toegevoegd. Het stimuleren van bottom up ontwikkelingen is een belangrijk onderdeel van het programma. Klimaatadaptatie en bottom up gaan bijvoorbeeld samen in gebiedsontwikkelingen zoals Climate Proof Zomerhofkwartier.

Hybride ondergrond

De ondergrond in de breedste zin des woords speelt een belangrijke, zo niet cruciale rol in de stedelijke klimaatopgave. Het is een hybride ruimte met stedelijke en natuurlijke systemen waar zich niet alleen de problemen voordoen, maar waar ook juist oplossingen liggen. Daarom is het noodzakelijk klimaatvraagstukken te plaatsen in een integraal perspectief dat zich richt op een veerkrachtig ontwerp dat het ondergrondse systeem en het bovengrondse stedelijk systeem samenbrengt en rekening houdt met de dynamiek van water en bodem.

Water kenmerkt zich door het feit dat het door alle schalen heen loopt – een rivier is eigenlijk grondwater dat je kunt zien – en vraagt daarom om een systeembenadering. Een andere kwestie om rekening mee te houden is dynamiek in de bodem. Het gaat dan veelal om bodemdaling, iets wat niet losstaat van klimaatverandering. Bodemdaling heeft (financiële) gevolgen voor het beheer in stedelijk gebied want bodemdaling en is een kostbare onderhoudskwestie omdat er continu zand moet worden toegevoegd om de openbare ruimte op gelijke hoogte te houden van de voordeuren van woningen en om de aansluiting van het riool aan de woningen te stabiliseren. Daarbij komt dat bodemdaling van invloed is op het watersysteem. Als de bodem zakt, dan stijgt het grondwater relatief gezien, waardoor woningen die op meebewegende en ondiepe stalen funderingen zijn gebouwd last krijgen van natte (ongezonde) kelders. Woningen die op houten palen in dieper gelegen zandlagen staan, en dus niet meebewegen, lopen het risico dat de palen boven het grondwater uit komen. Het hout gaat in contact met de buitenlucht oxideren en rotten, een enorme kostenpost voor de eigenaren die dan funderingsherstel moeten plegen.

Keten van positieve verandering

Ten aanzien van de opwarming van de aarde is het bodem- en watersysteem de life line van het ecosysteem. We hebben planten en dieren nodig om het microklimaat in de stad te kunnen stabiliseren en bij voorkeur temperen. Open bodem met groen en bomen zorgt voor schaduw in de stad ter verkoeling maar ook om de CO2-waarden in de stad te verlagen, het is tenslotte deze waarde die de klimaatverandering activeert. Het is zaak om het water- en bodemsysteem als een geheel te benaderen en de cascade-effecten (onvermijdelijke effecten als gevolg van een verandering) te onderkennen en te voorzien van oplossingen die positieve cascade-effecten veroorzaken. Om dit te kunnen organiseren is kennismakelaardij cruciaal: het betrekken van technische informatie bij planning en ontwerp van de stad.

Dilemma’s bij klimaatadaptatie

Het grootste dilemma om steden klimaatbestendig te maken is de benodigde cultuuromslag: het loslaten van het rotsvaste vertrouwen in de techniek en ruimte geven aan oplossingen die vragen om andere manier van omgaan met stedelijke systemen. Dat betekent dat in plaats van water wegpompen in de openbare ruimte ook ruimte komt voor water om te infiltreren in de bodem of om dit op te slaan in open water of waterpleinen.

Informatieve spraakverwarring

Een hieraan gerelateerd dilemma is dat in gebiedsontwikkelingen grote stromen data en informatie gebruikt worden die heel divers van aard zijn. Zo bestaat informatie over de bodem uit meetpunten waartussen geen relatie is, terwijl dat voor water wel het geval is. Daar komt nog eens bij dat het ingewikkeld blijkt om alle informatie bij elkaar te krijgen als gevolg van het gebruik van verschillende software en opslagmethodieken. Bovendien blijkt de informatie niet voor iedere specialist leesbaar: de taal van water specialisten is heel systematisch van aard terwijl bodeminformatie juist weer heel lokaal is. In sommige gevallen ontbreekt er ook informatie of deze is niet toegankelijk omdat het om kavels gaat die in privaat beheer zijn. Dit alles vraagt om regels, afstemming en oefening.

Waterbergingsfonds

Een ander dilemma is dat voor de beschikbare oplossingen om steden klimaatbestendig te maken vaak geldt dat de baten en lasten niet gelijk verdeeld zijn onder de stakeholders. Het opvangen van water en het hergebruik daarvan in een grijswatersysteem moet betaald worden door de eigenaar, terwijl het hele omliggende gebied daar voordeel van heeft. Dat vraagt om een andere organisatie met misschien andere verantwoordelijkheden. Het stichten van een zogenoemd waterbergingsfonds kan een oplossing zijn omdat daarmee deze scheve verhouding kan worden rechtgetrokken. Dan draagt iedereen bij en de oplossingen dienen de grotere schaal. 

Instrumenten zijn hulpmiddelen

In de afgelopen jaren zijn al veel instrumenten en vooral ook ‘toolboxen’ beschikbaar gekomen om handen en voeten te geven aan klimaatadaptieve gebiedsontwikkeling. Het is belangrijk kritisch te zijn op deze hulpmiddelen. Het gevaar van (met name digitale) instrumenten is dat er gedacht kan worden dat ze alle duidelijkheid scheppen bij het kiezen van oplossingen. Het is belangrijk te realiseren dat instrumenten hulpmiddelen zijn en er bij een integrale en interdisciplinaire aanpak altijd actief door de stakeholders samengewerkt moet worden om tot de beste oplossing te komen. Daarbij is het van belang om te realiseren dat verschillende instrumenten in verschillende fasen van een gebiedsontwikkeling nuttig kunnen zijn. Bovendien kunnen per fase verschillende stakeholders een rol spelen en kan de resolutie van informatie naarmate de gebiedsontwikkeling vordert, steeds scherper worden. Daarnaast is er verschil in opgave en aanpak tussen nieuwe uitbreidingsgebieden en de stedelijke vernieuwingsopgave.

Klimaatbenchmark

In nieuwe uitbreidingsgebieden is er de kans klimaatadaptatie vanaf het eerste initiatief goed te borgen. Een voorbeeld hiervan is Westergouwe in Gouda. Met een klimaatbenchmark is een kwalitatieve scan gemaakt. Hierin worden de belangrijkste fysieke thema’s van klimaatadaptatie in stedelijk gebied aan de hand van eenvoudige indicatoren en bestaande ontwerpen of plannen bekeken en vergeleken met de gestelde normen. Hiermee maakt het instrument de kansen en risico’s ten aanzien van klimaatadaptatie inzichtelijk.

scan Gouda

Hoofdthema’s met indicatoren voor de klimaatbenchmark

In de visiefase zijn instrumenten nodig die juist de integrale aanpak ondersteunen en klimaatmaatregelen kunnen koppelen aan andere opgaven en bijbehorende stakeholders. Er bestaan websites die voor deze fase genoeg informatie geven zoals de klimaateffectatlas en de Klimaatatlassen van de verschillende hoogheemraadschappen en provincies.

Tijdens de definitie- en ontwerpfase wordt er dieper ingegaan op de ruimtelijke samenhang en zijn er instrumenten nodig die bijvoorbeeld preciezer uitrekenen waar het regenwater blijft of wat het temperatuurdempende effect is van een geprojecteerde bomenrij. Deze informatie is in handen bij de verschillende experts en via een workshop kan heel effectief alle informatie op tafel komen. De Systeem Verkenning Ruimte en Ondergrond is een bruikbare methodiek voor kennisuitwisseling. 

In de ontwerp- en voorbereidingsfase is het van belang om op onderdelen echt precies te worden zoals de Climate Adaptation App heel precies de bijdrage van verschillende ruimtelijke ingrepen ten aanzien van klimaatadaptatie kan uitrekenen en verschillende scenario’s kan testen.

Instrumenten voor de bestaande stad

Dan de bestaande stad. Hier is een bottom up benadering voor klimaatadaptatie van cruciaal belang. De website Samen waterproof is een behulpzaam instrument dat zich richt op waterberging in de private ruimte. Op deze website kunnen burgers op maat advies inwinnen over de voor hen geschikte mogelijkheden voor waterberging, want deze zijn perceel-specifiek. En het Amsterdamse Waternet heeft, om te helpen het dillema van verdeling van kosten en baten zoals hierboven beschreven op te lossen, een stadsbrede economische Illustratie (pdf) ontwikkeld: een methode om inzicht te krijgen in de potentiële schade van wateroverlast, de kosten, de effectiviteit van maatregelen, investeringen en beheerkosten, en de verdeling van kosten en baten over stakeholders.

De methode van Waternet bestaat uit een infographic met vier vensters: schade, effectiviteit (op basis van zes ruimtelijke typologieën), baten en investeringskosten. De infographic presenteert kwalitatieve en kwantitatieve aspecten die in evenwicht gebracht moeten worden. Overigens nog zonder monetair evenwicht aangezien geen rekening gehouden wordt met baten op een langere termijn.

Conclusie

De urgentie van klimaatverandering vraagt om een vanzelfsprekende meekoppeling van klimaatadaptatie met andere ruimtelijke en maatschappelijke opgaven. Dit betekent dat klimaatadaptatie op technisch vlak, op het gebied van informatievoorziening en ook financieel gezien vanaf de start van een gebiedsontwikkeling meegenomen moet worden. Zo zijn er nu gescheiden budgetten voor de buitenruimte, ondergrondse infrastructuur en watermanagement en elke partij gaat voor de korte termijn goedkoopste oplossing.

Ook bewoners zullen zich een adaptieve houding moeten aanmeten. Er zijn al voorbeelden genoeg. In de Rotterdam Climate Adaptation Strategie bijvoorbeeld, maar ook in een project als Stadswerven in Dordrecht waar bewoners een wijk als dijkwering hebben ontwikkeld. Het betekent verantwoordelijkheid nemen en bewust zijn van de karakteristieken van het eigen grondgebied. Een gevolg kan zijn dat wateroverlast onverzekerbaar wordt en dat de voeten niet per definitie door de overheid droog gehouden worden. We zullen deels terug moeten naar het accepteren van de erfvijand en misschien de mentaliteit van onze voorouders oppoetsen die zo stoer waren om hier te willen en blijven wonen. Want als je de bewogen geschiedenis bestudeert die vertelt over het krachtenspel van de grens tussen land en water, waar de mens zich maar naar moest voegen, dan is de eerste vraag die zich doet opdringen: wie heeft het in zijn hoofd gehaald om hier te gaan wonen? 

Casus Gendtse Waard

2015.01.28_Oeverwal Gendtse Waard_C

Projectgegevens

Locatie: Een buitendijkse polder ten oosten van Nijmegen

Programma: Circa 100 hectare: 50% provincie, 50% gemeente en Ministerie van EZ (SBB en BBL)

Planning: Planontwikkeling 2011-2015, uitvoering 2016-2017.

Opgave: Het waterveilig maken van een rivierlandschap, gecombineerd met de sloop van voormalige bedrijfspanden, woonbebouwing op drie locaties (acht wooneenheden), de aanleg van nieuwe natuur, het verbeteren van infrastructuur en recreatiemogelijkheden.

Partners: Gemeente Lingewaard, Rijkswaterstaat, Provincie Gelderland, Waterschap Rivierenland i.s.m. Dienst Landelijk Gebied (vanaf maart 2015 Ministerie van EZ), Bureau Beheer Landbouwgrond (BBL, Zelfstandig Bestuursorgaan onder het ministerie van EZ) en Staatsbosbeheer.

Waterveiligheid, wonen en meer

Om het Waallandschap vanaf de Duitse grens tot aan Zuid-Holland te verbeteren, werkt een breed netwerk van partijen onder leiding van regisseur provincie Gelderland samen aan het programma Waalweelde. De aanleiding voor dit programma is de noodzaak van rivier-verruimende maatregelen om de waterveiligheid te borgen. Ook spelen er belangen op het gebied van natuur (rivierveiligheid, EHS, Natura2000), economie (de Waal als transport-as), wonen, recreatie en toerisme, cultuurhistorie, energie en klimaat. Tot slot richt het programma zich op de verrommeling en versnippering van de Waaloevers, ontstaan vanwege de grote variatie aan functies.

Gendtse Waard is een project binnen het Waalweeldeprogramma en is exemplarisch voor de integrale aanpak van gebieden langs de rivier. Woon-, recreatie- en natuurprogramma’s worden verknoopt en vervangen het verrommelde vastgoed in het gebied. In 2017 startte het slopen van voormalige bedrijfsgebouwen, het saneren van de gronden en het plaatsen van nieuwe bebouwing. Ook worden nieuwe fiets- en wandelpaden aangelegd en wordt er ruimte gemaakt voor hoogwatervluchtplaatsen voor het wild.

Economische vitaliteit door integrale aanpak

Het inbedden van Gendtse Waard in het Waalweeldeprogramma wordt beschouwd als een succesfactor voor het project, omdat de budgetten van het Rijk, provincie en gemeente op deze manier geclusterd kunnen worden en het project zo volledig met publiek investeringen gefinancierd wordt.

Het combineren van waterveiligheid met nieuwe woon-werkbebouwing, recreatieve activiteiten en bijbehorende nieuwe bedrijfsgebouwen draagt bij aan de economische vitaliteit in het gebied. De nieuwbouw bestaat uit een bedrijfswoning op camping ‘Waalstrand’, een bedrijfswoning op het manegeterrein, vier woonhuizen met bedrijf, werkplaats of atelier aan huis en een klein gebouw met een kleinschalige recreatieve functie.

Waterveiligheid

Op verschillende vlakken houden de ontwikkelingen in Gendtse Waard rekening met de waterveiligheid in het gebied. Bebouwing vindt bijvoorbeeld plaats op de hogere delen. Opstuwende vegetatie wordt verwijderd en bebouwing op rivierkundig ongunstige locaties wordt gesloopt. Voor het verbeteren van de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid voor zowel bewoners als bedrijven wordt een nieuw tracé aangelegd voor een deel van de polderweg, inclusief het ophogen van het maaiveld. Het gebied transformeert zo tot een groen en aantrekkelijk uitloopgebied en krijgt een betere toegankelijkheid.

Natuur en landschap

In Gendtse Waard wordt circa 20 hectare natuurgebied toegevoegd. Vanwege de huidige versnipperde natuur en de aanwezigheid van oude fabrieksterreinen en een oud racecircuit erkennen bewoners dat de ruimtelijke kwaliteit in het gebied beter kan. Voor de natuurontwikkeling is voorzien in de aanleg van ooibos, kamsalamanderpoelen en glanshaverhooiland. Voor de grote grazers en het wild in de uiterwaard wordt een hoogwatervluchtplaats aangelegd. Daarnaast worden de historische kades beplant met meidoorn en zal bovenop de hoogwatervluchtplaats spontane ontwikkeling van hardhoutooibos plaatsvinden.

Wet-en regelgeving

De financiering vanuit publieke partijen vereiste een businesscase die ‘staatssteun-proof’ is: de plannen moeten binnen de beleids- en wettelijke kaders van verschillende overheden passen. Ook moet er ‘transparant afgerekend’ worden; alle ingrepen moeten op waarde geschat en goed gedefinieerd zijn. De aanwezigheid van de rivier en de ligging in een Natura 2000-gebied waren extra complicerende factoren bij de planvorming. Omdat de Waal ter hoogte van de Gendtse Waard een slinger maakt, eist de Waterwet-vergunning dat inrichtingsmaatregelen geen opstuwend effect van de rivier veroorzaken. Daarnaast speelt bijvoorbeeld ook het belang van de scheepvaart. Elke ingreep moet getoetst worden aan de Beleidslijn Grote Rivieren, wat het nodige overleg met Rijkswaterstaat vergt.

Belangrijkste lessen

  • Benut kansen voor een integrale aanpak voor het rondkrijgen van financiering, maar ook voor het realiseren van economische vitaliteit in het gebied
  • Gebruik tijdsdruk als stimulerend middel voor een succesvol projectteam samengesteld uit verschillende partijen.
  • Door het definiëren en het bepalen van de waarde van projectonderdelen kan er transparant en ‘staatssteun proof’ afgerekend worden.

Het beschreven project omvat een gedeelte van de hele uiterwaard. Komende jaren wordt het andere deel van de Gendtse Waard vanuit dezelfde doelstellingen ingericht, waarmee de hele uiterwaard beter functioneert als Natura 2000 gebied, toegankelijk voor inwoners en met behoud van weidegrond. Dit project wordt niet gefinancierd door overheden. Zand en kleiwinning van circa 28 hectare zijn daar de financiële drager voor meer natuur en voorzieningen in verband met de toegankelijkheid van de polder. Het project wordt uitgevoerd door K3Delta in samenwerking met de steenfabriek in de uiterwaard.

Bronnen

Folder over de realisatie van het plan Gendtse Waard (pdf)

Gendtse Waard op de projectenkaart van gebiedsontwikkeling.nu

Artikel over Gendtse Waard op gebiedsontwikkeling.nu (met dank aan Carol Bolt van provincie Gelderland)

Cover: Sluijsmans Den Haag

Groeten uit het nieuwe Nederland

Veel landgenoten hebben dit jaar als gevolg van de coronapandemie de vakantie in eigen land doorgebracht. Het dunbevolkte platteland van Nederland was hierbij populair. Even weg van de coronadrukte en de oververhitte stedelijke gebieden. Tot enkele jaren geleden stuurde ik vanaf ons vakantieadres een papieren ansichtkaartje naar familie en vrienden. Heel af en toe stuur ik nog wel eens zo’n kaartje, maar net als veel andere mensen stuur ik vaker een ‘digital post’.

Samenhangende aanpak

Ook bij gebiedsontwikkeling zien we een groei aan digitale kaarten. Zo is het afgelopen jaar een hele reeks aan kaarten verschenen over de grote maatschappelijke opgaven waar we voor staan. Denk aan de woningbouw, energietransitie, mobiliteit, de toekomst van het landelijk gebied, duurzame economische groei en klimaatadaptatie.

Maar de vele digitale kaarten leveren samen nog geen beeld op van hoe we Nederland in willen richten. Zoals (emeritus) hoogleraren Co Verdaas en Friso De Zeeuw deze zomer in hun publicatie Na wildwest en science fiction op zoek naar de juiste film. Naar een nieuw sturingsconcept voor de inrichting van Nederlandbepleitten, is er behoefte aan een samenhangende aanpak. Hoe kunnen de grote opgaven worden omgezet in concrete projecten? Voor de Nationale Omgevingsvisie zijn op dit moment al vele kaarten beschikbaar. Hier zien we grote verschillen in de omvang en aard van de projecten.

Verstoring

Als we kijken naar de functie met het grootste ruimtebeslag staat landbouw met stip op nummer 1, met ruim 50 procent van ons grondgebied. Nederland is de tweede exporteur van agrarische producten ter wereld. Het betreft 20 procent van onze totale export en bijna 10 procent van het bruto nationaal product. Veel landbouwgebieden veranderen echter in hoge snelheid van kleur. Dit komt niet alleen door de stikstofproblematiek en het stoppen van de ruim 400 varkensboeren in Noord-Brabant. Het gaat ook om nieuwe opgaven. Zo vraagt de energietransitie de meeste ruimte met zonneparken en windmolens. Interessant is de overlap die we zien tussen enkele van de grote windmolenparken en agrarische landbouw; denk aan de Flevopolder en de Wieringermeerpolder. Hier zien we niet alleen windmolens, maar ook een verschuiving van agrarische landbouw naar grote energieslurpende datacentra.

Een andere landschappelijke transformatie is de klimaatopgave door veranderingen in temperatuur, neerslag, verdamping en weersextremen. Joks Janssen deelde hierover deze zomer op LinkedIn digitaal gemaakte papieren kaarten. Hierop zien we dat onder andere door  ruilverkavelingen in de tweede helft van de vorige eeuw al langer een verstoring van de ‘natuurlijke’ waterbalans speelt. Vooral op de zandgronden is de hoeveelheid verdroogde grond toegenomen, met een grote impact op het agrarisch gebruik. Naast deze langetermijnontwikkelingen zijn deze zomer ook op andere plekken in het landschap de gevolgen van de klimaatverandering zichtbaar. Zo gaan er steeds minder koeien naar buiten door de langdurige hoge temperaturen Voor deze zomer stonden al 1 op de 3 koeien het hele jaar binnen, dit jaar is dat aantal fors hoger. Daarnaast heeft Nederland 161 Natura 2000-gebieden. Hiermee moet bij transformatie en nieuwe functies in het landelijk gebied rekening worden gehouden.

We zien verder het aantal vierkante meters bedrijfsterreinen en woonwijken groeien. Op dit moment nemen woonwijken zo’n 7 procent van de totale ruimte in Nederland in beslag. Dit vraagt de komende jaren ook ruimte buiten stedelijk gebied. Verder zien we op het platteland de grootste groei van bedrijfsterreinen met logistiek vastgoed. Hierbij geven we volgens Berno Strootman, rijksadviseur voor de fysieke leefomgeving, nog veel te weinig aandacht aan de landschappelijke waarden.

“We horen veel over de bezwaren van woningbouw in ons landschap, maar andere ontwikkelingen hebben veel meer impact”

Gebiedsontwikkeling is bij uitstek een vak dat gaat over het afwegen en het samenbrengen van op het oog tegenstrijdige belangen. Laten we hierbij voor grote veranderingen in het landelijk gebied niet de cultureelhistorische waarde uit het oog verliezen. Juist in het landelijk gebied heeft ons land een groot aantal landschappen en plekken met cultuurhistorische waarde. Een deel hiervan heeft ook een economisch-toeristische waarde. Denk aan onze kustgebieden, de Deltawerken, Keukenhof, Giethoorn, Kinderdijk, de Beemsterpolder, de Zaanse Schans, het eiland Marken, het Kröller-Müller Museum op de Veluwe, de Hunebedden, de vele forten die Nederland heeft en de Waddeneilanden.

Hoe willen we dat de verschillende Nederlandse kaarten van de toekomst eruitzien? We horen veel over de bezwaren van woningbouw in ons landschap, maar laten we de andere geschetste ontwikkelingen in het buitengebied niet uit het oog verliezen. Deze hebben namelijk veel meer impact. Het aantal vierkante meters landbouw zal de komende jaren afnemen en grote veranderingen doormaken. Hierbij is het belangrijk om oog te houden voor de kennis en exportwaarde van de landbouw, evenals voor het behoud en scheppen van nieuwe cultureel waardevolle gebieden. Het is tijd voor een doortastende aanpak, met als doel (vakantie-)kaarten waar we trots op mogen zijn.

Gezocht: Happy Planet Index voor gebiedsontwikkeling

De coronacrisis roept de vraag op wat gebiedsontwikkeling kan doen voor het welzijn van burgers. Welzijn is een breed begrip met twee definities. De eerste gaat over hoe goed het met iemand gaat vanuit lichamelijk, geestelijk en sociaal perspectief. En de tweede gaat over het economische perspectief, over de mate waarin de mensen hun materiële én immateriële behoeften bevredigd achten.

Benodigde miljarden

Een bruikbaar concept voor welzijn is de in 2006 gelanceerde Happy Planet Index (HPI). Dit is een index die maatregelen voor een duurzaam menselijk welzijn en de milieu-impact meet. Het Bruto Binnenlands Product (graadmeter voor de welvaart in een land) wordt als ongepast beschouwd, omdat het uiteindelijke doel voor de meeste mensen niet is om rijk te zijn, maar om gelukkig en gezond te zijn. De vertaling naar gebiedsontwikkeling maakte NEPROM in 2018 met de publicatie: Ruimte maken voor Nationaal Geluk. Daarnaast verzorgde Dura Vermeer dit jaar een digitale sessie op de Provada onder de titel The Good Life, waar gezondheid en geluk voor de gebruikers centraal staat.

Een belangrijke geluksfactor is de beschikbaarheid van woningen voor alle doelgroepen. Kijken we naar Nederland, dan staat de vraag naar middeldure (huur)woningen al jaren op de ruimtelijke agenda. Toch komt de productie maar moeizaam van de grond. Daarom is het goed dat de bouw in deze coronatijd een oproep heeft gedaan te voorkomen dat bouwplannen worden uitgesteld of geschrapt. Remkes’ adviezen over de aanpak van de stikstofproblematiek hebben hieraan bijgedragen, door de bouwsector een stikstofkrediet te geven dat in tien jaar tijd moeten worden afgelost. Daarbij heeft de Woningbouwalliantie, een groep van zeventien partijen waaronder gemeenten, ontwikkelaars, bouwbedrijven, makelaars en installateurs, een oproep gedaan richting het Rijk om de benodigde miljarden euro’s te investeren in betaalbare én duurzame huizen.

Culturele achtergrond

Het onder druk staan van woningen voor de lagere- en middeninkomens zien we niet alleen in Nederland. Dit vraagstuk speelt wereldwijd in grote steden, maakte de documentaire PUSH duidelijk. Partijen als het Amerikaanse Blackstone, de grootste mondiale durfinvesteerder, koopt van private verhuurders betaalbare woningen, knapt ze op en verhoogt de huur. Het was pijnlijk om in de documentaire te zien dat mensen met lagere inkomens uit hun woning werden verdreven en dat veel van de nieuwe woningen gewoon leegstonden. Niet vreemd dat deze Blackstone-werkwijze in Londen en Barcelona tot protesten heeft geleid. De Verenigde Naties staan aan de kant van de actievoerders. Zij geven aan dat de aanpak van Blackstone in strijd is met internationale mensenrechten, zoals het recht op een huis.

Nederland heeft gelukkig regels om de huurders te beschermen, maar ook hier zien we zeker in de grote steden een groei van het aantal woningen dat in handen is van Blackstone. Laat het Rijk niet wachten op een groei van dit type bedrijven, maar bijdragen aan het welzijn en – in lijn met de oproep van de Woningbouwalliantie – investeren in betaalbare duurzame woningen, met oog voor leeftijd, culturele diversiteit en inkomen. We weten immers al decennia dat mensen met lagere en middeninkomens het meest kwetsbaar zijn. Zij beschikken over minder sociale relaties en lagere inkomens en zijn niet of beperkt verbonden met hun eigen biologische en culturele achtergrond.

De hoogste tijd

Vanuit het welzijnsperspectief is gezondheid ook een belangrijke factor. Daarom zou het goed zijn als bij de oproep van de Woningbouwalliantie richting het Rijk ook wordt gekeken naar maatregelen die bijdragen aan onze gezondheid. Naast het verbeteren van de luchtkwaliteit gaat het om het voorkomen van sociaal isolement, het stimuleren van gezond gedrag en de inrichting van de woonomgeving. Rotterdam heeft hierin een voortrekkersrol genomen door 233 miljoen te investeren in zeven grote groene stadsprojecten. Zo krijgt Rotterdam er de komende 10 jaar een aantal grote en kleine parken bij. Dit gaat om investeringen en ruimtelijke ingrepen die bijdragen aan het stimuleren van gezond gedrag én plekken scheppen voor ontmoeting van verschillende culturen en inkomensgroepen.

Als de coronapandemie ons één ding leert, is dat het voor een mensenleven niet alleen om welvaart gaat, maar ook om welzijn. Een andere les is het dat het perspectief van waaruit de overheid kijkt nooit eenduidig is. Zo stond zeker bij het uitbreken van de crisis de invalshoek gezondheid met stip op één. Nu horen we hier kritische geluiden over en komt er weer steeds meer aandacht voor het beperken van de economische schade en bredere maatschappelijke belangen.

Hetzelfde geldt voor gebiedsontwikkeling. Het gaat om de woningnood én om aandacht voor welzijn, gezondheid, een sterke economie en de klimaatuitdagingen. Deze moeten gezamenlijk worden opgepakt. Kortom: het is de hoogste tijd voor een Happy Planet Index voor gebiedsontwikkeling, om zo bij te dragen aan een duurzame toekomst voor iedereen!

Omarm de civil economy

De effecten van coronacrisis hebben een grote impact op onze economie. Als deze één ding duidelijk maakt, dan is het dat we niet zonder de overheid kunnen. Interessant in dit perspectief is de introductie van het begrip civil economy door Pieter Jan Dijkman, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA, in mei in de NRC. Hij pleit ten eerste voor minder regelzucht door de overheid en meer burgerruimte. Ten tweede voor meer nadruk op relaties. Ten derde beschrijft hij de civil economy als de transitie van het denken in winst naar het denken in waarden.

Waarden voor duurzame inrichting van Nederland

Met de NOVI is voor gebiedsontwikkeling reeds ingezet op het eerste punt van Dijkman: minder regelzucht en meer betrokkenheid van burgers. Ook het tweede punt is herkenbaar voor gebiedsontwikkeling. Relaties maken een onmisbaar onderdeel uit van het langdurige proces om tot resultaat te komen. Naast de gangbare publiek-private samenwerking, zien we een trend dat diverse maatschappelijke organisaties initiatief nemen voor een nationale visie. Denk aan de NOVI-Alliantie, een coalitie van zeer uiteenlopende organisaties, waaronder gemeenten, reizigersvereniging Rover, Staatsbosbeheer, werkgeversorganisatie VNO-NCW en NEPROM.

Het derde punt ligt voor veel maatschappelijke vraagstukken nog open. Welke waarden vinden we belangrijk voor een duurzame inrichting van Nederland? Dit laatste punt van Dijkman heb ik eerder ook aangekaart in mijn blog ‘Het is tijd voor nieuwe winst’.

“Het is nodig breder dan alleen op economische winst te focussen”

Een gedragen aanpak

De door minister Eric Wiebes ingestelde Taskforce Infrastructuur Klimaatakkoord Industrie (TIKI) is al een heel eind op weg met een civil economy-aanpak. Alle drie de punten zijn hierin herkenbaar. Minder regelzucht door de overheid zien we terug in de instelling van een taskforce. Met een ratrace-benadering waren ze niet gekomen tot een door de betrokken partijen gedragen lange termijnplan. De taskforce heeft in beeld gebracht wat voor de betrokken partijen wenselijk en haalbaar is wat betreft CO2-opslag, waterstoftransport en verzwaring van de elektriciteitsnetwerken voor industriële clusters. De TIKI geeft aan dat afspraken voor de lange termijn noodzakelijk zijn om de industrie in staat te stellen de afgesproken reductie van de CO2-uitstoot te halen. Onderdeel hiervan is een kaart die inzichtelijk maakt hoe, wanneer en waar de energieleidingen klaar moeten zijn voor transport van waterstof en CO2-opslag.

Waterstof infrastructuur behoefte

Figuur 1: Jaar waarin behoefte aan hoofdinfrastructuur voor transport van waterstof ontstaat

Kijken we naar het derde punt dan zien we dat breder is gekeken dan economische winst. Er is ingezet op een haalbaar lange termijnplan met aandacht voor de klimaatopgave. Bij dit derde punt zien we echter ook een botsing van waarden tussen TIKI en diverse maatschappelijke organisaties. Met name bij de keuze voor CO2-opslag. Enkele argumenten tegen de CO2-opslag: dit is niet tijdelijk, maar voor altijd, het kost energie en wordt hiermee nu op een juiste wijze ingezet op CO2 vermindering? Bovendien roept het de vraag op of nieuwe ondergrondse opslag wel veilig is; denk aan de gaswinning gerelateerde aardbevingen in Groningen. Kijken we in het rapport van de taskforce, dan zien we dat hier wel oog voor is. De energietransitie betekent volgens hen een ingrijpende verandering en dat leidt per definitie tot schuring, onzekerheid en weerstand.

Betrokken burgers

Het accent in het TIKI-plan ligt op haalbaarheid, economische- en klimaatwaarden. De wijze waarop burgers worden betrokken heeft vanuit het Rijk een plek gekregen op regionaal en lokaal niveau met het RES-instrument, de regionale energiestrategie. Burgers worden betrokken in het hele scala van informeren tot het meedenken over oplossingen. Concrete voorbeelden van de meerwaarde voor burgers zijn het voorzien in energievoorziening voor elektrische auto’s en woningen. Daarnaast is een vraag hoe en waar restwarmte van datacenters kan worden gekoppeld aan bedrijfsterreinen en woningbouwlocaties.

Op weg naar een civil economy

De coronacrisis en de TIKI-aanpak maken duidelijk dat het steeds vaker nodig is om vooruit te kijken en breder dan alleen op economische winst te focussen. Dit is niet eenvoudig met de onvermijdbare negatieve economische ontwikkelingen door de coronapandemie. Maar de crisis leert ons dat het voor burgers behalve om feiten, ook om waarden gaat. Het is daarom niet vreemd dat de discussie is losgebarsten over welke bedrijven staatssteun krijgen, want welke waarden onderschrijft de overheid (en samenleving) als bedrijven als Booking.com, KLM en TataSteel steun krijgen? Laat dit een les zijn voor de toekomstige duurzame inrichting van Nederland. Laat het Rijk de koers van minder regelzucht continueren, inzetten op een TIKI-aanpak voor andere complexe maatschappelijke opgaven en van het denken in winst naar gesprekken over waarden gaan. Op naar een civil economy!

Het is tijd voor nieuwe winst

Naast de klimaatcrisis zitten we nu midden in de coronacrisis. Hierbij zien we de spanning die mondiale trends zoals de rivaliteit tussen grootmachten, nationalisme en de-globalisering opleveren. In een aantal landen wordt in deze context steeds vaker gesproken over onze houding ten opzichte van het kapitalistische systeem, gericht op het maken van winst.

Peter Bakker, bestuursvoorzitter van de World Business Council for Sustainable Development, pleitte eind maart in het FD voor het optimaliseren van het evenwicht tussen financieel, sociaal en milieukapitaal. Een aanpak die aansluit bij gebiedsontwikkeling, waar we al langer de invalshoeken People, Planet en Profit als uitgangspunt nemen voor financiële en maatschappelijke waardecreatie.

People

Tegen deze achtergrond kijk ik naar actuele vragen vanuit de drie P’s. Als eerste de invalshoek People. Op Europees niveau wijst men er terecht op dat de crisis niet alleen economisch moet worden bekeken, maar juist ook sociaal. Denk aan de zorg, het onderwijs en de culturele voorzieningen die op dit moment onmisbaar zijn. Relevante functies bij gebiedsontwikkeling vanuit het sociale perspectief zijn – naast de genoemde sectoren – de woning-, retail- en horecamarkt.

De huidige nieuwbouwwoningen blijken te duur voor veel van de woningzoekenden. De coronacrisis versterkt dit alleen maar door de stijgende werkloosheid. Relevante vragen zijn dan: wat zijn de knoppen om tot de realisatie van betaalbare woningen te komen? Van welke recente en eerdere projecten kunnen we hiervoor iets leren?

Kijken we naar de retailmarkt, dan is het op dit moment vervreemdend om de lege winkelstraten te zien. De effecten van de coronapandemie op dit segment zijn pijnlijk zichtbaar in de winkelstraten en in de gesloten restaurants en cafés. De verwachting is dat we hier te maken krijgen met een groot aantal faillissementen. Hiermee staat de kwaliteit van de openbare ruimte onder druk. En met de huidige crisis zien we ook een snelle stijging van digitale inkopen, wat ook zijn effect heeft op het programma in de winkelstraten. Belangrijke vragen hierbij: welke ontwikkelingen zijn blijvend en hoe houden we onze binnensteden qua functies en openbare ruimte aantrekkelijk?

“Met veel te verwachten faillissementen in detailhandel en de horeca staat de kwaliteit van de openbare ruimte onder druk”

Planet

Dan de invalshoek van Planet. Als gevolg van de crisis heeft het kabinet de inwerkingtreding van de Omgevingswet uitgesteld, net als eerder de Klimaatplannen. Het is onduidelijk wanneer de Omgevingswet in werking treedt en ook hoe het kabinet het verminderen van de CO2-uitstoot oppakt na de crisis. Hoe kan gebiedsontwikkeling, wetend van het uitstel van wetten, toch nu al bijdragen aan de energietransitie en klimaatadaptatie?

Met de Regionale Energiestrategieën (RES) worden de eerste stappen gezet. Deze leveren inzicht in de regionale opgaven en benodigde (nieuwe) energienetwerken. Relevante vragen hierbij: welke keuzes zijn nationaal noodzakelijk en hoe kan gebiedsontwikkeling, ondanks uitstel van de wetten, hieraan bij blijven dragen? Hetzelfde geldt voor klimaatvraagstukken. Zo moeten we onze dijken en watersystemen versterken om Nederland veilig en leefbaar te houden. Hoe vertalen we dit in klimaatadaptieve wijken?https://www.youtube.com/embed/fFiDJeouPMw?wmode=opaque

Profit

Tot slot de invalshoek Profit. Corona mag dan wel geen economische crisis zijn, het virus heeft wel grote economische gevolgen. De economie staat mondiaal en lokaal zo goed als stil. Een belangrijke kwaliteit van gebiedsontwikkeling is dat door de verbindende kracht van verschillende functies op gebiedsniveau, financieel, sociaal en milieukapitaal kan worden samengebracht en geoptimaliseerd.

De Regionale Investeringsagenda’s (RIA’s) waar door de NOVI-alliantie aan gewerkt wordt, is hiervoor een mooi voorbeeld. Welke lessen brengen deze agenda’s naar voren? En wat kunnen we leren van wijken die tijdens de vorige crisis zijn gerealiseerd? Neem het project Rijswijk-Buiten. Deze wijk kwam in de jaren van de kredietcrisis tot stand, met aandacht voor het klimaat en met betaalbare gasvrije woningen in diverse segmenten. Wat is nodig om dit soort duurzame wijken economisch haalbaar te houden? Is een grotere grondexploitatie daarvoor een geschikt instrument, zoals BPD-ceo Walter de Boer die eind maart noemde?

“In welke regio’s is steun vanuit het Rijk het hardst nodig en welke criteria worden hiervoor gebruikt?”

Nu met corona de nood hoog is, blijkt dat de Rijksoverheid besluiten helder en snel kan nemen. Laat het Rijk dit de komende jaren ook voor de diverse grote ruimtelijke vraagstukken doen, met als kernvraag in welke regio’s steun vanuit het Rijk het hardst nodig is en welke criteria hiervoor worden gebruikt. Dat schept naast investeringsruimte duidelijkheid en vertrouwen voor een gezamenlijke aanpak.

De crisis is hierbij een les, want het leert ons wat waardevol is. Kijk breder dan alleen financieel kapitaal, het is tijd voor nieuwe winst. Gezondheid en zorg staan in deze crisis met stip op één, maar ook de rol van digitale innovatie, zoals in het onderwijs, en het belang van onze cultuurwereld. Laten we voor gebiedsontwikkeling deze bril ook opzetten: wat vinden we nationaal, regionaal en op gebiedsniveau waardevol?

Tijd voor een Sociaal Deltaplan Wonen

De wens van het Kabinet is om het landelijke huizentekort de komende jaren terug te dringen door 300.000 woningen te bouwen. Met Woondeals wordt op dit moment door het Rijk en regionale publieke partijen in een aantal regio’s in beeld gebracht wat geschikte nieuwbouwlocaties zijn. Ook is recent door minister Stientje van Veldhoven aangegeven dat er een aanvullingsbrief op de NOVI komt met aanvullende concrete locaties. Kortom: het Rijk is weer in beeld in de ruimtelijke ordening.

Een pikant nieuwtje hierbij is het recente bericht dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) de samenvatting van haar jaarverslag in 2019 radicaal heeft aangepast. Het gaat om de passage dat “het systeem van ruimtelijke ordening op punten onvoldoende werkt” omdat gemeenten, provincies en het Rijk “de nationale belangen ondanks de wettelijke veranderingen regelmatig uit het oog verliezen”. Deze kritische conclusie werd uit het rapport gehaald en vervangen door de zin: “Het beeld is dat de feitelijke inpassing voldoende is”. Kortom: de decentralisatie van de ruimtelijke ordening zou goed verlopen.

We zien echter een andere ontwikkeling. Zo heeft de Tweede Kamer een motie van de PvdA en CDA aangenomen om in het volgende kabinet de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) terug te laten keren. Pleitte Roeland van der Schaaf, wethouder wonen van de Gemeente Groningen (PvdA), voor een nationaal Deltaplan voor woningbouw. En vroeg Kim Putters een Deltaplan te maken voor de krimpregio’s vanwege de vergrijzing en een teruglopend aantal voorzieningen.

Een nieuw ministerie van VROM vraagt tijd. Met de huidige woningnood is een nationaal Deltaplan op dit moment dus de beste oplossing.

Hoe zou dit eruit kunnen zien? In een zestal regio’s is met een Woondeal een eerste aanzet gemaakt voor geschikte nieuwbouwlocaties voor een Deltaplan. Een leerzame deal is gemaakt in de regio Arnhem-Nijmegen. Door het Rijk, de Provincie Gelderland en 18 gemeenten is hier een Woondeal gesloten om snel meer woningen te bouwen. Tot 2025 moeten er 20.000 woningen bijkomen, op de lange termijn zelfs 50.000 tot 60.000. De Woondeal moet ervoor zorgen dat er sneller en meer betaalbare huur- en koopwoningen worden bijgebouwd. Naast de woningbouwopgave is ook gekeken naar de bereikbaarheid van de betreffende bouwlocaties. Verder zet burgermeester Ahmed Marcouch van Arnhem ook in op de aanpak van economische ongelijkheid met het verbeteren van de leefbaarheid en het vooruit helpen van kwetsbare wijken.

In zijn nieuwe boek Kapitaal en Ideologie pleit Thomas Piketty ook voor de aanpak van economische ongelijkheid. De groei van deze ontwikkeling doet zich volgens Piketty sinds de jaren ’80 en ’90 vrijwel overal ter wereld voor. Volgens hem is hier na de kredietcrisis veel te weinig aandacht voor geweest. De markt blijkt niet zelfregulerend, aldus Piketty. Hij pleit daarom voor een nieuw socialisme, met onder meer hogere belastingen voor de topinkomens en medezeggenschap voor burgers. Met een multidisciplinaire aanpak om te komen tot een evenwichtig perspectief op het gebied van gelijkheid, sociaal eigendom, onderwijs en de verdeling van kennis en macht.

Kijken we naar Nederland, dan zien we dat het reëel besteedbaar inkomen van huishoudens sinds eind jaren ‘70 nauwelijks is toegenomen. De groei van het inkomen is sterk achtergebleven bij de economische groei. Binnen Europa is de sociale ongelijkheid in periode van 1980 tot 2020 gestegen met 30 tot 35 procent. Binnen Nederland ligt dit percentage lager, maar verdient het evengoed aandacht. Zo is het aantal sociale huurwoningen gedaald van 40 procent in 1989 tot 28 procent in 2020 en zijn de prijzen in de vrijehuursector gestegen. Ook is het gat tussen meer en minder leefbare wijken toegenomen.

Binnen Nederland is de sociale ongelijkheid lager, maar verdient het evengoed aandacht

Dat bovenstaande sociale ongelijkheid is gestegen vanaf de jaren ‘80 is mede een gevolg van de marktwerking in de publieke sector, de deregulering en privatisering. Dit wetende zijn de volgende punten belangrijk voor een Sociaal Deltaplan Wonen:

  • Samenwerking tussen overheden en de markt. Kijk voor de uitvoering van de Woondeals en andere concrete locaties samen met marktpartijen welke gebieden snel te ontwikkelen zijn. Leer hierbij van de vinexwijken. Welke wijken zijn sociaal-economisch het meest succesvol in leefbaarheid als gekeken wordt naar wijken met (sociale)huur- en koopwoningen?
  • Sociale invalshoek. Naast de Woondeal-locaties is het belangrijk om steden met een relatief eenzijdige woningvoorraad hoog op de agenda te zetten. Deze steden zijn gebaat bij herstructurering en het toevoegen van nieuwbouw. Denk naast kwetsbare wijken aan vergrijsde wijken, groeiende migratie en sommige groeikernen uit de jaren ‘70 waar sprake is van een eenzijdige woningvoorraad.
  • Haalbaarheid en betaalbaarheid. Problemen, zeker voor betaalbare huisvesting zijn onder meer de grondprijs, stijgende bouwkosten en de schaarste aan werknemers in de bouw. Laat publieke partijen niet altijd de hoofdprijs vragen voor de grond. En stimuleer sneller en voordeligere systeembouw en flexwonen aan de private kant.

Regie van het Rijk voor dit alles is geen overbodige luxe. Met de Woondeals en de recente stevige boodschappen van minister Stientje van Veldhoven voor aanpak van de woningnood zijn de eerste stappen voor een Sociaal Deltaplan wonen gezet. Het is belangrijk dat dit plan met de markt wordt afgestemd om de urgente woningbouwopgave gezamenlijk, haalbaar en zo efficiënt mogelijk uit te voeren. Dit zonder de kwaliteit en de sociale problematiek waar Putters, Marcouch en Piketty op duiden uit het oog te verliezen.

Hernieuwde aandacht voor kwetsbare wijken

Cover: ”Vuilcontainers/Dumpsters” (CC BY 2.0) by FaceMePLS

Het aantal kwetsbare wijken neemt toe, blijkt uit onderzoek in opdracht van Aedes naar de leefbaarheid in wijken met veel corporatiewoningen. De sociale segregatie neemt toe, de leefbaarheid neemt af, de criminaliteit stijgt, er is een gebrek aan samenhang, en mensen spreken elkaar niet meer. De grote uitdaging is hoe we de slinger van benodigde maatregelen en investeringen voor deze wijken weer in beweging krijgen. Want wie wil graag horen dat hij of zij in een zwakke wijk woont?

De novelle voor de nieuwe Woningwet in 2015 beoogde verbetering van het functioneren van woningcorporaties als ondernemingen met een louter maatschappelijke taak. Dat is een taak die echter maar zeer beperkt kon worden uitgevoerd. Voor 2015 droegen veel corporaties bij aan het realiseren van wijken met een diversiteit aan huur- en koopwoningen. Na de invoering van die nieuwe Woningwet zijn corporaties echter voorzichtig geweest met herstructurering van sociale woningcomplexen tot vrijesector- of koopwoningen, zeker in kwetsbare wijken waar marktpartijen niet wilden investeren.

De disciplinerende impact van de bijbehorende verhuurdersheffing van de Woningwet beperkte de investeringsruimte voor veel corporaties. Daarom is het goed dat woningcorporaties met ingang van dit jaar voor betaalbare huurwoningen een heffingskorting kunnen aanvragen. In aansluiting hierop vragen corporaties aan de overheid om de markttoets af te schaffen, zodat woningcorporaties ook middenhuurwoningen kunnen bouwen in wijken waar nu te veel sociale huurwoningen staan. Dit maakt dat de slinger weer gaat bewegen, ook voor andere partijen.

Een eerste voorbeeld is de recent getekende intentieverklaring tussen de gemeente Amsterdam, de leden van de Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed (IVBN), Vastgoed Belang en NEPROM, om samen te zorgen voor meer betaalbare woningen. Ze maken afspraken over de bouw van nieuwe woningen voor middeninkomens, het betaalbaar houden van bestaande woningen en het toewijzen van huurwoningen aan beroepsgroepen als leraren en zorgverleners.

Gewenste grondopbrengst

Wat valt hieruit te leren? Als eerste dat de gemeente gaat voor een acceptabel rendement voor betrokken partijen door passende grondprijzen te rekenen. Een mogelijke tweede les is om in te zetten op afspraken op stedelijk niveau tussen corporaties, gemeenten, beleggers en marktpartijen, en hierbij de kwetsbare wijken ook op de agenda te zetten.  

Een andere locatie waarvan we kunnen leren, is de locatie Valkenburg. Hier was jarenlang sprake van touwtrekkende partijen, waardoor de ontwikkeling van dit gebied stagneerde. De gemeente Katwijk wilde voor dit gebied 5 duizend woningen realiseren met 25 procent sociale woningbouw en 20 procent woningbouw voor de middeninkomens. Dit stond echter onder spanning met de hoge grondprijs die door het Rijksvastgoedbedrijf werd gevraagd. Om deze impasse te doorbreken heeft de gemeente Katwijk voorgesteld om 600 extra woningen te bouwen voor de middengroepen. Met deze aanpak krijgt het Rijk de gewenste grondopbrengst en kan worden ingezet op doorstroom uit kwetsbare wijken en gemengde nieuwbouwwijken.

Gerechten delen

Maar er moet niet alleen naar de fysieke kant worden gekeken. Voor de huidige kwetsbare wijken is het belangrijk te erkennen dat de sociale vraagstukken een groot deel van het probleem zijn. Denk aan de samenstelling naar inkomen, culturele achtergrond en de zorgvraag. Ook is in deze wijken vaak sprake van werkeloosheid, schulden en (fysieke en psychische) klachten bij inwoners. Door in te zetten op een wijk met diverse woningen (waaronder middeninkomens), verdwijnen de sociale problemen in de wijk niet direct, maar ze worden wel overzichtelijker. Ook wordt de doorstroom naar middenhuurwoningen gestimuleerd.

Kwetsbare wijken in ontwikkeling vragen echter om meer. De documentaire van Felix Rottenberg over de Akbarstraat in de Amsterdamse Kolenkitbuurt, voorheen een achterstandswijk, laat zien dat de sociale contacten tussen diverse culturen niet op voorhand toenemen door het toevoegen van koopwoningen en woningen met hogere huren. De documentaire maakt duidelijk dat we nog een lange weg te gaan hebben in de omgang met elkaar van diverse culturen.

Een leerzaam voorbeeld is het Verhalenhuis Belvédère in Rotterdam, in de gemengde wijk Katendrecht. Het betreft een coöperatie van lokale ondernemers die mensen uit diverse culturen willen verbinden via het uitwisselen van persoonlijke verhalen van individuen en gemeenschappen. Denk aan het delen van gerechten, migrantenverhalen, sociale foto’s en groepsportretten, evenementen, tentoonstellingen en openbare feesten.

Kortere wachttijd

Verschillende partijen kunnen bijdragen aan de kwetsbare wijken. Een heldere rolverdeling is hierbij essentieel. Laat de corporaties hiervoor van elkaar leren en de investeringsslinger voor de kwetsbare wijken samen met andere partijen weer in beweging brengen. Zorg dat gemeenten de fysieke kant niet vergeten en ook kijken naar de ligging in de stad, naar de omringende wijken en de nabijgelegen voorzieningen. Hoe is de bereikbaarheid, is er sprake van goed openbaar vervoer of slechte verbindingen naar wijkvoorzieningen en het centrum? En hoe ziet de aanpak van de energietransitie eruit?

Inzet op verschillende woningtypen is zeker niet de ultieme oplossing voor kwetsbare wijken, maar het draagt wel bij aan een kortere wachttijd voor middenhuurwoningen en het niet nog verder achteruitgaan van de leefbaarheid in de kwetsbare wijken.

Met RIA’s meer draagvlak bij duurzame oplossing woningnood

Cover: Cees Steijger via Pixabay

Vorige week presenteerde Denktank Denkwerk het rapport Klein land, grote keuzes: over Nederland in 2050. Daarin wordt gepleit voor een aanpak van de woningnood in combinatie met natuur en de inzet van snelbussen onder regie van het Rijk, plus een visie op de aanpak van de energietransitie. De denktank stelt dat er onder regie van het Rijk nieuwe woningbouwlocaties moeten worden aangewezen om verdere “verrommeling” in ons land te voorkomen. Een daarvan is het Groene Hart. De NOVI-alliantie speelt hier op dit moment al goed op in, door in een aantal regio’s samen met de bestuurders te kijken naar uitvoeringsgerichte mogelijkheden. Ze werkt in vijf regio’s in Nederland aan regionale investeringsagenda’s (RIA’s) om de NOVI-ontwerpnota van het Rijk te vertalen naar uitvoering voor het komend decennium. Ons land zal de komende eeuw, net als tijdens de vroegere ‘strijd tegen water’, immers ruimtelijk behoorlijk veranderen. Als kader voor de regionale investeringsagenda’s is het daarom ook interessant te kijken hoe Nederland er over 100 jaar uitziet.

De Wageningen University & Research heeft hiervoor een kaart gemaakt die in beeld brengt welke rol natuur kan spelen voor duurzame energie, stedenbouw, landbouw en hoogwaterveiligheid. Waar is het slim om in te zetten landbouw en natuur en welke plekken zijn geschikt voor woningen. Het is een visie die mooi aansluit bij een recente opiniestuk in NRC Handelsblad: Nederland opnieuw op de tekentafel, een pleidooi van Friso de Zeeuw (emeritus hoogleraar gebiedsontwikkeling) en Anne Hilhorst (campagnedirecteur van Wakker Dier) om in te zetten op een heldere splitsing tussen regio’s waar natuur en landschap prioriteit krijgen en kerngebieden voor landbouw.

Bovenstaand beschreven perspectieven sluiten goed aan bij de aanpak van de RIA’s. Deze richten zich op het combineren van opgaven voor de verstedelijking, de energietransitie, de klimaatadaptie, de verbetering van de bereikbaarheid en het verbeteren van de groene-blauwe kwaliteit. De alliantie, een brede coalitie van NEPROM, middelgrote gemeenten (G40), VNO-NCW, Staatbosbeheer en de openbaarvervoerwereld, ziet vooral kansen voor het Rijk om bij de toekenning van de 1 miljard euro voor de woningbouwimpuls de aanpak van de RIA’s te betrekken. Zo kan breder worden gekeken naar de uitvoering van de ruimtelijke opgaven en wordt een nieuwe werkwijze gestimuleerd.

Dat is geen onwelkom voorstel met de diversiteit aan woningnood. Het huidige tekort van zo’n 300.000 woningen, zeker betaalbare huizen, is immers nog lang niet opgelost. Bovendien blijven de woningprijzen stijgen. De oorzaken van de stagnatie op de woningmarkt zijn grotendeels bekend. Nieuw is echter het dalend aantal bouwvergunningen door stikstofuitstoot met een negatief effect op natuurgebieden. De klimaatverandering zet bovendien woningontwikkeling in het westen van ons land onder druk, zoals de kaarten van Wageningen University & Research laten zien. Ook de mindere betaalbaarheid door stijgende grondprijzen en bouwkosten vraagt aandacht. De groep die een woning niet kan betalen blijft hierdoor groeien, onder hen vooral starters. Daarnaast neemt het aantal eenpersoonshuishoudens toe en stijgt de vraag als gevolg van de verwachte groei van migratie.

Verder zien we door vergrijzing en veranderingen in de zorg dat ouderen langer zelfstandig wonen, het liefst in combinatie met zorgvoorzieningen. Een groot deel van deze groep is honkvast, verhuist niet snel en woont in grote woningen. Kijken we naar deze demografische ontwikkelingen, dan ligt het voor de hand dat vanaf 2030 een groeiend aantal van deze woningen beschikbaar komt; iets om ook rekening mee te houden.

‘De huidige woningmarkt is problematisch, maar biedt ook kansen voor nieuwe woonmilieus’

De huidige woningmarkt is problematisch, maar biedt ook kansen voor nieuwe woonmilieus. We krijgen immers steeds beter zicht op vraag en aanbod op de woningmarkt, evenals op de geschetste grote ruimtelijke uitdagingen in deze eeuw. De minister heeft woondeals gesloten met de vijf regio’s waar de druk op de woningmarkt hoog is. Op dit moment betreft dit vooral publiek-publieke afspraken. De NOVI-alliantie pleit ervoor breder te kijken dan de woondeal-gebieden en dit in samenwerking met marktpartijen en corporaties te doen. Ze hecht ook waarde aan een woningbouwimpuls aan plannen die nog niet zeker zijn, dit via een inhoudelijke toetsing van de RIA’s door het Rijk.

De NOVI-alliantie zet voor de RIA’s als eerste in op het integreren van verkokerde investeringen. Het tweede punt in de aanpak is publiek-private samenwerking nieuwe stijl (langjarig, strategisch, samenhang tussen infra-klimaat-groen-woningbouw-verstedelijking-economie, et cetera). Als derde wordt ingezet op meer stabiliteit, voorspelbaarheid, innovatie, financiële ‘zekerheid’, onder andere door het bundelen van investeringen.

Een van de voorbeelden is de regio Breda (inclusief Oosterhout, Etten-Leur en Zundert). Hier is eigenstandig het initiatief genomen om een aanzet te maken voor een RIA. Daarin is de bouw van 15.000 woningen tot 2030 voorzien, gekoppeld aan investeringen in onder meer bereikbaarheid, energietransitie, klimaatadaptie en groene en blauwe structuren.

‘Met uitvoeringsgerichte RIA’s kan ingezet worden op regionaal draagvlak’

De uitvoeringsgerichte RIA’s maken het mogelijk verder in de tijd te kijken en in te zetten op regionaal draagvlak en een inventarisatie van benodigde investeringen. Zo kan met betrokkenheid van lokale partijen worden gekeken welke (langetermijn) ruimtelijke keuzes en integrale aanpak het beste passen. Evenals afstemming met de Regionale Energie Strategieën, wanneer men erin slaagt de nationale afspraken uit het Klimaatakkoord te vertalen naar de regionale praktijk. Ook de recente opkoopregeling voor de varkensboeren in twee regio’s en de ruimte die hierdoor beschikbaar komt kan worden meegenomen in de RIA’s.

De Denktank Denkwerk pleit voor regie van het Rijk. De RIA’s helpen het Rijk te komen tot duidelijke keuzes in het ruimtelijk domein. De regionale aanpak draagt eraan bij de paniek onder burgers door rijksmaatregelen een stuk kleiner te maken. Weerstand zal er blijven. Maar met regionale visies neemt de kans op een helder maatschappelijk gedragen en duurzame “ruimtelijke richtsnoer” voor ons land toe, inclusief een duurzame aanpak van de urgente woningnood.