De zee maximaal benutten in plaats van een landschap vol turbines en masten

Het nieuwe kabinet moet indringende ruimtelijke keuzes maken voor het landelijk gebied, anders gaan de leefbaarheid en de kwaliteit verder achteruit ondanks de kansen die er liggen. Dat is de conclusie van het rapport Kiezen én delen, opgesteld op verzoek van de Tweede Kamer. Hierbij moeten we niet uit het oog verliezen dat het afgelopen decennium in ons landschap al grote veranderingen hebben plaatsgevonden. Windmolens zijn hier een goed voorbeeld van. Ze zijn populair als één van de meest kosteneffectieve wijzen voor het produceren van hernieuwbare energie. In 2014 zijn door het toenmalige kabinet elf, door de provincies aangedragen, windmolenparken op land aangewezen. Laten we eens kijken wat daar vervolgens mee is gebeurd en wat we daar zeven jaar later van kunnen leren voor de Regionale Energiestrategieën.

Als eerste de hinder van geluidsoverlast. Deze is mede afhankelijk van de grootte van de windturbines en de nabijheid van bedrijven en woningen of de plek in voorheen rustige landschappen. Marjolein de Vos schrijft hierover mooie signaleringen in haar column (NRC maart 2019):  “Ik las laatst in een verslag van een zitting bij de Raad van State over windmolens bij het Groningse Meeden over ‘sfeerwoningen’: huizen die veel overlast zullen krijgen van de geplande windmolens, maar daar niet tegen beschermd worden omdat ze geacht worden tot de inrichting van het windmolenpark te behoren. De bewoners zullen op de molens uitkijken, ze zullen de slagschaduwen over zich heen zien flitsen, ze zullen het hoge fluitsuizen horen waar nu nog stilte heerst. De stilte waarom ze daar zo graag woonden’.

Betrek bewoners nadrukkelijker bij initiatieven voor windmolen- en zonneparken

Klachten die we ook bij het windmolenpark in de Drentse Veenkoloniën horen. Een heel ander geluid komt uit het park bij Goeree Overflakkee-Noord. Hier voldeden tien woningen niet aan de normstelling. De hogere geluidbelasting dan de wettelijke norm is geaccepteerd omdat de bewoners betrokken zijn bij het windpark. Ze hebben een bijzondere functie, taken als toezichthouder in relatie tot het windpark en economisch profijt. Hierdoor wordt de geluidbelasting als minder hinderlijk ervaren. En is voor de bewoners sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Een tweede punt waar kritisch naar moet worden gekeken is de combinatie met grote energieslurpende voorzieningen zoals de datacenters. In de Noord-Hollandse Wieringermeerpolder is vorig jaar het grootste windmolenpark van Nederland geopend, dat mede energie levert aan een aantal datacenters. Andere datacenters in de nabijheid van windmolens zien we in de Eemshaven en bij het recente voornemen voor het grootste datacenter van Nederland in Zeewolde. Naast het forse energieverbruik is horizonvervuiling een veelvoorkomende klacht bij deze centers, en verder het verdwijnen van landbouwgrond en het gebruik van koelwater. Zo kan een tekort aan water in droge zomers ontstaan en bestaat het risico van oppervlaktewatervervuiling. Zeewolde heeft daarom al aangegeven dat er niet met drinkwater mag worden gekoeld.

Netwerkverzwaring is bij de energietransitie in Nederland een grote meerjarige investeringsopgave

Een minstens zo belangrijk derde punt zijn de benodigde investeringen in het elektriciteitsnetwerk. In alle genoemde provincies wordt het netwerk mede door de windmolenplannen op dit moment zwaar overbelast. Zo horen burgers en bedrijven op verschillende plaatsen in Nederland dat er een gebrek is aan capaciteit op het elektriciteitsnetwerk. Netwerkverzwaring is bij de energietransitie in Nederland een grote meerjarige investeringsopgave. Tennet gaat uit van een jaarlijkse investering van 4-5 miljard euro ofwel 40-50 miljard tot 2030 voor onderhoud en aanleg op land en de Noordzee. Naast de overheid gaan ook burgers dit merken in hun portemonnee. Bovendien is de aanleg van nieuwe hoogspanningsmasten en transformatorstations een ruimtelijke en zichtbare opgave. Niet alles kan ondergronds worden aangelegd.

De verandering van een aantal van onze landschappen is al in gang gezet. Niet voor niets, windenergie is immers op dit moment één van de belangrijkste duurzame energiebronnen om de klimaatdoelstellingen te halen. Enkele aandachtspunten hierbij. Waar zetten we, naast wettelijke stiltegebieden, in op de niet-formele stiltegebieden? Het is belangrijk om meer zicht krijgen op de effecten van datacenters en we dienen kritisch te zijn ten opzichte van andere nieuwe grote energievreters. En hoe willen we dat ons energienetwerk er de komende dertig jaar gaat uitzien? Net als windmolens doen hoogspanningsmasten iets met ons landschap. Daarom de vraag waar kleine zelfvoorzienende windmolens passen die het net niet belasten?

Het aanleggen van zeewindparken wordt steeds goedkoper

Tot slot, vorig jaar groeide het aantal windturbines op zee ruim twee keer zo hard als in 2019. Waar hier in 2016 nog subsidie voor nodig was, zijn in 2019 de eerst huurafspraken gemaakt voor energiewinning. Het aanleggen van zeewindparken wordt steeds goedkoper. Gelukkig maar, want laten we het Nederlandse landschap niet verder ongemerkt vollopen met grote windturbines en elektriciteitsmasten. Laten we de mogelijkheden op zee maximaal benutten en kritisch bekijken welke andere oplossingen mogelijk zijn voor een toekomstbestendige en betaalbare energietransitie. Met voor op land in gedachte dat windmolens een levensduur hebben van zo’n twintig jaar en dus ook tijdelijk kunnen zijn.

Uit het nieuws: Fop-enquête

Driekwart van de bewoners is voor de komst van windmolens. En dat in een gemeente midden in het Groene Hart. De uitslag van een bewonersenquête in het Zuid-Hollandse Alphen aan den Rijn zorgde voor veel verbazing. En niet ten onrechte, blijkt uit onderzoek van de Volkskrant. Gemeenteambtenaren blijken bij het opstellen van de enquête “nogal sturend te werk zijn gegaan. Critici in Alphen spreken tegenover de Volkskrant van ‘manipulatie’. De lokale SP-fractie heeft 32 raadsvragen ingediend over de ‘fop-enquête’.

De casus in Alphen staat niet op zichzelf. In veel meer gemeenten en regio’s regent het volgens de krant klachten wanneer bewoners via een enquête zijn geraadpleegd over de aanleg van duurzame energiebronnen. Ank Michels, universitair hoofddocent bij het departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht, stelt in het artikel dat burgers op deze manier voor de gek worden gehouden. “Gemeenten weten dat die windturbines er hoe dan ook gaan komen. Wat je nu ziet is dat enquêtes vooral instrumenteel worden ingezet, om aan te tonen dat er draagvlak is voor de energietransitie. Met als gevolg dat burgers zich in de maling genomen voelen, en het draagvlak alleen maar slinkt.”

Het burgerforum klimaat als satéprikker voor integrale oplossingen

Een actueel maatschappelijk onderwerp is de veranderende verhouding tussen overheid en burgers. Lokaal zien we dit al langer, maar ook nationaal groeit de aandacht hier nu voor. Zo diende Tweede Kamerlid Agnes Mulder van het CDA eind 2020 een motie in met de vraag hoe burgers bij het klimaatbeleid en de uitvoering hiervan kunnen worden betrokken. Hierop heeft het kabinet een onafhankelijke adviescommissie, onder leiding van voormalig ombudsman Alex Brenninkmeijer, gevraagd hier onderzoek naar te doen en advies te geven. Een belangrijke uitkomst is het voorstel van een burgerforum om onze democratie te versterken. Dit is een representatieve groep burgers die meningen uitwisselt en beleid bedenkt of adviseert over het klimaatvraagstuk.

Deze aanpak over algemene belangen zien we steeds vaker. Zo ontstond in België na een politieke aardverschuiving in de federale verkiezingen in 2010 het burgerinitiatief G1000 als antwoord op de impasse waarin de politiek belandde. Het eerste overleg van gewone burgers over voor hen relevante politieke thema’s vond plaats op 11 november 2011, met als doel ‘verse zuurstof’ te leveren voor de politieke impasse. Hiermee wordt een democratie bevorderd waarin burgers een beleidsbepalende invloed hebben op het bestuur en gelijkheid.

Een ander recent voorbeeld is het initiatief in 2019 van de Franse president Macron. Hier zijn 150 burgers ingeloot om een antwoord te bedenken op de klimaatcrisis. Voor deze aanpak is mede gekozen naar aanleiding van protest van de Gele Hesjesbeweging in 2018 tegen het verhogen van de accijnzen op diesel en benzine en het onder druk staan van voldoende inkomen voor levensonderhoud. Later kwam er ook protest tegen de hoge belastingen en het bredere beleid van de regering Macron. In deze periode raakten meer dan 2.500 betogers en voorbijgangers gewond, waarop Amnesty vroeg om een onderzoek naar politiegeweld. Niet iets om na te streven, denkend aan recente protesten in Nederland van boeren tegen de stikstofaanpak of van bezorgde burgers tegen datacentra en windmolens, zoals recent op IJburg. Het advies voor een Burgerforum Klimaat komt dus op het juiste moment.

We kunnen leren van het initiatief van president Macron

De klimaatopgave raakt aan verschillende andere grote ruimtelijke opgaven. Hoe kan het Rijk dit naast het betrekken van burgers het beste oppakken? In een recent opiniestuk op Gebiedsontwikkeling.nu stelt Geurt van Randeraat (directeur SITE) onder meer dat de NOVI acht zogenaamde NOVI-gebieden (waarvan er drie definitief door de minister zijn benoemd) een onduidelijk karakter hebben. Het zouden ‘belangrijke gebieden’ zijn, maar bij lang niet alle locaties speelt de meervoudige problematiek. Van Randeraat vraagt zich af waarom het Rijk niet teruggrijpt naar de uitvoeringskracht en helderheid van de Sleutelprojecten uit de Vierde Nota over de ruimtelijke ordening. “De koppeling van de systematiek van de Sleutelprojecten aan integrale gebiedsopgaven als game changer. Met Rijksregie om te komen tot een integraal ruimtelijk en programmatisch perspectief voor meerdere opgaven en een integrale zak geld.”

Een pleidooi dat naadloos aansluit bij het initiatief van de NOVI-alliantie, een brede coalitie van NEPROM, middelgrote gemeenten (G40), VNO-NCW, Staatbosbeheer, de openbaarvervoerwereld en de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) om samen met bestuurders in vijf regio’s te werken aan integrale regionale investeringsagenda’s (RIA’s). Dit voorkomen van een sectorale aanpak geldt net zo goed voor het Burgerforum Klimaat. Het zou zich moeten richten op het aandragen van dwarsverband-oplossingen; niet alleen ruimtelijk maar ook vanuit sociaal perspectief. Hierbij kunnen we leren van het initiatief van Macron. Hij stelde voor het burgerdebat de vraag: “Hoe kunnen we op sociaal rechtvaardige wijze tot 2030 de uitstoot van broeikasgassen met minstens 40 procent verminderen, vergeleken met 1990?”

Sinds begin jaren ’90 is Nederland rijker, maar de inkomensongelijkheid is fors toegenomen

Ook in Nederland speelt immers de vraag naar sociale rechtvaardigheid. Een belangrijk weten hierbij is dat we als land steeds rijker zijn geworden sinds het eind van de vorige eeuw, maar dat 50 procent van de inwoners deze groei niet terugziet in hun portemonnee. Sinds begin jaren ’90 is Nederland rijker, maar de inkomensongelijkheid is fors toegenomen. Zo krijgt sinds eind vorige eeuw de bovenste 10 procent inwoners een steeds groter deel van wat we met zijn allen verdienen, en de arme 50 procent een steeds kleiner deel (zie ook Scheefgroei in de polder van BNNVARA). Dit heeft naast het veel gehoorde ‘vinden van een betaalbare woning’ ook effect op de mogelijkheden van een groot aantal burgers om financieel bij te dragen aan de klimaatopgave.

Hoe verder? Het betrekken van burgers bij ruimtelijke vraagstukken is niet nieuw en er zijn al vele (digitale) vormen op wijkniveau. De vraag vandaag is hoe we burgers een bijdrage kunnen laten leveren aan een integrale aanpak van de grote maatschappelijke opgaven waar we voor staan. Laat het Burgerforum Klimaat als verbindende satéprikker bijdragen aan fysieke integrale oplossingen met aandacht voor sociale rechtvaardigheid. Dit is een aanpak die past bij de veel gehoorde oproep aan de nieuwe regering om niet met een dichtgetimmerd regeerakkoord te komen, maar ruimte voor debat te geven aan de Tweede Kamer en in de samenleving. Dit helpt om te werken aan een breed draagvlak voor de aanpak van de klimaatopgave en het slim en sociaal rechtvaardig koppelen van investeringen voor de complexe (en deels botsende) opgaven waar we in ons kleine kikkerlandje voor staan.

Maak van de NOVI-Uitvoeringsagenda een levende leeromgeving

Op 31 maart vindt de NOVI-conferentie plaats onder het motto ‘van visie naar uitvoering’. Centraal op deze conferentie staat ‘informeren en inspireren’. De Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) zal op deze dag met TU Delft hoogleraar gebiedsontwikkeling Co Verdaas een livestream verzorgen. Hij zal het gesprek aangaan over de dilemma’s van sturen op samenhang en de lange termijn, in tijden van grote onzekerheid. En hoe overheden, marktpartijen en maatschappelijke partners hiermee om kunnen gaan.

De opgaven waar we voor staan zijn groter dan de beschikbare ruimte in Nederland. Dit vraag om meer regie en sturing vanuit het Rijk. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de bijbehorende Uitvoeringsagenda (2021-2024, pdf) maken onderdeel uit van een proces waarin één overheid – samen met de samenleving – werkt aan de doelen, ambities en een integrale aanpak van de prioritaire NOVI-opgaven. De NOVI wordt door het Rijk samen met medeoverheden en maatschappelijke partijen gebiedsgericht uitgewerkt in omgevingsagenda’s, gebiedsagenda’s en NOVI-gebieden. De omgevingsagenda’s dienen als integratiekader om de verschillende programma’s in gebieden bij elkaar te brengen.

Vertrouwen essentieel voor samenwerking

Op 3 maart ondertekende de VNG, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en minister Ollongren de Samenwerkingsafspraken bij de NOVI. Houding en gedrag zijn een belangrijk punt hierin om tot gezamenlijke uitvoering te komen. “In de samenwerkingsprocessen organiseren we dit leren expliciet door continue reflectie in te bouwen. Zo kunnen we patronen signaleren en doorbreken. Daarmee creëren we een setting voor samenwerking waarin we elkaar kunnen coachen, waarbij we begrip voor elkaar hebben en waar we ons kwetsbaar op kunnen stellen. Zo ontstaat vertrouwen.”

Vertrouwen geldt in de NOVI Samenwerkingsafspraken terecht als essentieel element

Gezamenlijke uitvoering van de gebiedsagenda’s vraagt naast sectorale kennis om integrale samenwerking binnen en buiten de overheid. Dit is niet altijd eenvoudig, het stapelen van ambities werkt niet. Binnen de omgevingsagenda worden dan ook de eerste afgewogen keuzes gemaakt binnen en tussen beleidsvelden. Welke opgaven krijgen in een bepaald gebied prioriteit? De noodzakelijkheid van het maken van afwegingen zowel in de omgevings- als gebiedsagenda’s is geen nieuw inzicht maar gezien de grote opgaven waar we voor staan vaak wel complexer dan in het verleden. Om die afwegingen te maken is vertrouwen tussen partijen nodig. En vertrouwen wordt in de NOVI samenwerkingsafspraken dan ook terecht als essentieel element benoemd.

Regionale investeringsagenda’s

Een voorbeeld van het werken in en aan vertrouwen is de NOVI-alliantie, een brede coalitie van NEPROM, middelgrote gemeenten (G40), VNO-NCW, Staatbosbeheer, de openbaarvervoerwereld en de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling heeft het initiatief genomen om samen met bestuurders in vijf regio’s in Nederland aan regionale investeringsagenda’s (RIA’s) te werken. Dit om de NOVI-ontwerpnota van het Rijk samen met de 1 miljard euro voor de woningbouwimpuls te vertalen naar uitvoering voor het komend decennium. De NOVI-alliantie zet voor de RIA’s als eerste in op het integreren van verkokerde investeringen. Het tweede punt in de aanpak is publiek-private samenwerking nieuwe stijl (langjarig, strategisch, samenhang tussen infra-klimaat-groen-woningbouw-verstedelijking-economie, et cetera). Als derde wordt ingezet op meer stabiliteit, voorspelbaarheid, innovatie, financiële ‘zekerheid’, onder andere door het bundelen van investeringen.

De uitvoeringsgerichte RIA’s maken het zo mogelijk verder in de tijd te kijken en in te zetten op regionaal draagvlak en een afweging van benodigde investeringen. Zo kan met betrokkenheid van lokale partijen worden gekeken welke (lange termijn) ruimtelijke keuzes en integrale aanpak het beste passen. 

De Uitvoeringsagenda vraagt om specifieke kennis en expertise

Digitale leeromgeving

Uitvoeringskracht vraagt naast vertrouwen ook om specifieke kennis en expertise. Tevens is het een leeromgeving. Op dit moment is er op veel plekken een gebrek aan mensen met de benodigde capaciteiten en competenties. De beschikbaarheid van deskundigheid is zeker voor de middelgrote en kleine gemeenten, maar ook aan de private kant een belangrijk aandachtspunt. Het uitwisselen van mensen tussen gemeenten, provincies en private partijen kan een belangrijke bijdrage leveren om elkaars omgeving en werkwijze te snappen. Het draagt, naast het uitwisseling van kennis en ervaring bij aan begrip voor elkaars positie, het leren van elkaars taal en zo ook aan vertrouwen tussen partijen. De SKG kan – voor het cyclisch proces van de NOVI – met haar publieke en private partners hieraan een belangrijke bijdrage leveren in samenwerking met de TU Delft en andere kennisinstellingen. Een digitale leeromgeving is hierbij een essentieel onderdeel. Ook kan gedacht worden aan een programma waarin ‘meesters’ (ervaring; sommige patronen/processen zijn van alle tijden) gekoppeld worden aan een gezel (frisse ideeën).

In de Samenwerkingsafspraken bij de NOVI is aandacht voor stilstaan bij de voortgang van de transitieopgaven en de gezamenlijke inzet hierbij. “De jaarlijkse NOVI conferentie vormt een moment om stil te staan bij en gezamenlijk te bekijken hoe de samenwerking verloopt tussen de verschillende overheden. Wat gaat goed en op welke terreinen liggen nog aandachtspunten? Verder is in het cyclische proces van de NOVI een tweejaarlijkse effectenmonitor opgenomen. Deze monitor brengt de voortgang van de verschillende transitieopgaven in beeld. Met behulp van deze monitor kan gezamenlijk worden bezien hoe de samenwerking verloopt en waar eventueel meer aandacht nodig is.”

Een digitale leeromgeving is een noodzakelijke aanvulling om de beoogde werkwijze van de NOVI, namelijk ‘permanent en adaptief’, met betrokken partijen vorm te geven.

Schaarste: het nieuwe normaal?

Schaarste aan tijd dat kennen we allemaal. Maar de coronapandemie legt bloot dat er ook andere vormen van schaarste zijn. Zo zorgt het bij diverse leeftijdsgroepen voor eenzaamheid, een vorm van psychologische schaarste. Het is immers lastiger geworden om familie en vrienden te zien. Naast dat het bijdraagt aan gemis en spanning in sommige huishoudens, zien we door het thuiswerken een herwaardering van schaarse tijd.

In het ruimtelijk domein hebben we ook te maken met schaarste. Zo horen we bijna dagelijks over het tekort aan woningen. En worden we als gevolg van klimaatverandering geconfronteerd met diverse vormen schaarste. Denk aan grondstoffen. Europa is voor haar grondstoffen sterk afhankelijk van andere continenten. Mondiale politieke factoren spelen dus een belangrijke rol. Zo worden we regelmatig geconfronteerd met grote prijsfluctuaties. Als antwoord op deze vorm van schaarste en het verminderen van de CO2-uitstoot heeft Nederland als doel om in 2050 volledig circulair te zijn. Om dit doel te bereiken pleitte staatsecretaris Van Veldhoven (I&W) aan de hand van de eerste Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER 2021) van het PBL voor één circulaire economiewet.

Een andere vorm van schaarste zien we bij ons drinkwater. Het jaar 2020 staat in de top-tien van droogste jaren ooit gemeten. Deze droogte is tastbaar op hooggelegen zandgronden en bij lage rivierstanden. Als bij de zandgronden het grondwaterpeil te laag staat, kan er minder water uit de grond worden gepompt. Voor de rivieren is de Maas een goed voorbeeld. Deze rivier levert kraanwater aan vier miljoen mensen in de provincies Zuid-Holland, Zeeland en een deel van Limburg. Vanwege de beperkte voorraad aan zoet grondwater in deze gebieden is men hier voor drinkwater grotendeels afhankelijk van oppervlaktewater van de rivier. Bij een lage rivierstand neemt het volume af en stijgen de concentraties verontreinigingen die ververst moeten worden met als gevolg een lagere beschikbaarheid en soms dus ook schaarste aan drinkwater.

Tot slot de schaarste in de elektriciteits- én warmtevoorziening (41 procent van de energievraag). In het Klimaatakkoord zet Nederland in op 100 procent duurzame bronnen in 2050. Maar op dit moment is fossiel aardgas nog de belangrijkste energiebron voor driekwart van de huishoudens. Hiermee is Nederland op dit moment grotendeels zelfvoorzienend. Het risico op schaarste ontstaat als de aardgasbron in Groningen in 2030 naar nul is teruggeschroefd. Het gevolg is dat we steeds vaker stroom moet importeren. Hoe dit precies vorm gaat krijgen is voor een deel nog onzeker. Daarbij zijn nieuwe energiebronnen zoals windenergie en zonnepanelen minder stuurbaar en weersafhankelijk, waardoor de stroomvoorziening lastiger te voorspellen is. Ook kan ons netwerk deze nieuwe vormen van energie in sommige delen van ons land nog niet aan. Verder zien we dat nieuwe systemen niet altijd optimaal functioneren. Zo nam het programma Radar ons recent mee in de werking van het collectieve WKO-systeem. Burgers worden hierbij via het warmtenet met één leverancier voor lange termijn aangesloten op dit systeem en hebben regelmatig te maken met uitval in de levering van warmte of elektriciteit.

Schaarste het nieuwe normaal? De geschetste ontwikkelingen maken duidelijke dat we er de komende jaren steeds vaker mee te maken krijgen. Wat vraagt dit van ons? Wetgeving is een belangrijk instrument, maar de schaarste vraag ook om een verandering in ons gedrag. Ben Tiggelaar is een auteur die regelmatig zijn inzichten over gedragsverandering met ons deelt. Zo geeft hij aan dat gedragswetenschappers kijken naar het samenspel tussen drie factoren: capaciteit, motivatie en omgeving. Kortom je moet een nieuwe handeling kúnnen uitvoeren, je moet het willen, en de omgeving moet je de gelegenheid bieden om het te doen.

Met de circulaire aanpak zijn we al relatief ver, zeker als de circulaire economiewet politiek doorgang krijgt. Kijken we echter naar de drinkwatervoorziening dan staan we nog in de fase van kunnen en willen uitvoeren. Met daarbij een belangrijke verantwoordelijkheid voor ons als burgers. Denk aan minder vaak douchen, de regenpijp in de zomer los met afvoer naar de openbare ruimte of minder tegels en minder sproeien in de tuin. Daarnaast is waterbuffering voor droge tijden belangrijk, evenals het kijken voor welke functies zogenaamd grijs water (circulair) bruikbaar is. Het overstappen naar een andere energievorm is nog niet zo eenvoudig, maakt de Proeftuin Aardgasvrije wijken duidelijk. Ook hier is een belangrijke les het centraal stellen van de burger. Om hen te motiveren is het belangrijk dat er antwoord wordt geven op vragen en onzekerheden. Krijg ik mijn huis warm? Kan ik dit wel betalen? En welke inbreng kan ik leveren?

Hoe verder? Voor gebiedsontwikkeling is de vraag hoe we bij burgers het bewustzijn voor de verschillende vormen van schaarste op onze planeet kunnen vergroten en ze er op de juiste wijze bij kunnen betrekken. Wat zijn de juiste prikkels? Niet makkelijk leert de coronacrisis ons. In ons kleine landje met een vrij volk lijkt het opnemen van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid niet eenvoudig….

Het kapitalisme van morgen

Vorige week vond in Davos het World Economic Forum plaats. De pandemie, het klimaat en de verhoudingen tussen het westen en China stonden centraal. Een belangrijke vraag was of we alles anders gaan doen na de pandemie? Of naar een boek van de leidende figuur Klaus Schwab bij dit Forum: is het tijd voor een Great Reset? Minder sociale ongelijkheid, meer maatregelen voor het klimaat, met meer staat en minder vrije markt. Bondskanselier Angela Merkel stelde dat het niet ging om een reset van doelen, maar om een reset in vastberadenheid waarmee we dingen doen. Volgens haar heeft de pandemie laten zien hoe kwetsbaar de mens is en dat de mens ondanks alle technologische vernuft nog steeds deel uitmaakt van een natuurlijke omgeving.

Kijken we naar gebiedsontwikkeling, dan denk ik dat zowel Schwab als Merkel een boodschap hebben die aansluit bij de uitvoeringsagenda van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De uitvoeringsagenda richt zich op de uitwerking van vier prioriteiten met bijbehorende beleidskeuzes. De eerste prioriteit is ruimte voor klimaatadaptie en energiestrategie, de tweede duurzaam economisch groeipotentieel. Als derde willen we sterke, gezonde steden en regio’s, en de vierde prioriteit betreft de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Dit gebeurt vanuit een breed welvaartbegrip. Dus kijken naar de puur economisch waarde én naar maatschappelijke waarden.

Een belangrijke vraag is hoe we aan deze waarden invulling kunnen geven. Vanuit het perspectief van het VN-Klimaatakkoord van Parijs is het door John Elkington in 1994 gelanceerde People, Planet, Profit (PPP) een bruikbaar handvat. Passend bij een breed welvaartbegrip is het de kunst een evenwicht te vinden tussen de drie P’s. Maar recent (2018) verwoorde Elkington dat sinds de lancering de aandacht vooral naar profit uitging. Succes of falen van duurzame oplossingen moet volgens hem niet alleen worden bekeken vanuit het perspectief van winst of verlies, maar ook vanuit het oogpunt van welzijn van mensen en een gezonde aarde. Hij ziet dit als de start van ‘het kapitalisme van morgen’.

‘De economie moet in dienst staan van hogere doelen, en menselijke en ecologische belangen dienen’

Om de betekenis van dit begrip concreet te maken is het goed een onderscheid te maken naar de traditionele economie gericht op groei en een brede welvaartseconomie. Volgens Kathering Trebeck, voortrekker van de wereldwijde beweging voor een Wellbeing Economy is het huidige systeem onrechtvaardig, onstabiel, niet duurzaam en maakt het mensen ongelukkig. Verwar middel en doel niet, stelt zij. De economie moet in dienst staan van hogere doelen, en menselijke en ecologische belangen dienen. Gegeven deze kritiek en wat Elkington aanhaalt bij zijn PPP-benadering sluit het boek Donut Economy (2017) van Kate Raworth hier naadloos op aan. Ze pleit ervoor om de economie te laten balanceren tussen een sociale ondergrens gevormd door mensenrechten zoals veiligheid, gezondheid en voldoende eten en een ecologische bovengrens die gaat over luchtvervuiling, klimaatverandering en bodemuitputting.

Gelukkig zien we bij gebiedsontwikkeling een groeiende aandacht voor de geschetste punten en een benadering vanuit brede welvaart ofwel een welzijnseconomie. De vraag is hoe we met de NOVI Uitvoeringsagenda hier verder vorm aan kunnen geven en verder kijken dan de besluitvorming en de benodigde investeringen. Een technocratische aanpak, waarin het beleid wordt vormgegeven aan de hand van adviezen van experts en relevante analyses is in deze tijd niet meer voldoende om tot ruimtelijke oplossingen te komen. Er is een grote diversiteit aan grote maatschappelijke opgaven. Dat maakt dat er verschillende publieke, private en maatschappelijke partijen zijn, ieder met een eigen maatschappelijke agenda en vanuit diverse waarden, gedurende het proces om tot uitvoering te komen.

De recente protesten van burgers tegen overheidsmaatregelen, vanuit onbegrip of economisch achterblijven, en de groei aan burgerinitiatieven bij gebiedsontwikkeling geven aan dat het belangrijk is om burgers hierbij te betrekken. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) benadrukt dit in de recente publicatie De balans van de leefomgeving, Burger in zicht overheid aan zet (2020). De positie van de burger in de ruimtelijke ordening is nog onvoldoende, luidt een van de conclusies.

‘De uitdaging blijft het slaan van bruggen tussen diverse partijen met ieder hun eigen waarden’

Het kapitalisme van morgen. Met de verkiezingen voor de deur gaan we de komende weken horen welke waarden de diverse politieke partijen belangrijk vinden en hopelijk ook hoe ze burgers willen betrekken bij de opgaven waar we voor staan. De uitdaging blijft het slaan van bruggen tussen diverse partijen met ieder hun eigen waarden. Laten we hierbij niet het pad opgaan van de verkiezingen in de Verenigde-Staten, waar het verschil in waarden via de digitale media alleen maar werd uitvergroot. Laten we ons baseren op de literatuur. Romans van het nieuwe millennium formuleren een artistiek antwoord op de verwevenheid van politiek en gevoel, gemeenschap en het individu. De ik kan niet zonder de omgeving en anderen. Verbondenheid staat niet in de weg van ideologische spanningen en politieke debatten, maar is juist datgene wat een werkelijk engagement vereist. ‘Wie zichzelf overwint, is sterker dan hij die de stad inneemt’*. 

Agnes Franzen, strategisch adviseur bij de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) en TU Delft

*Citaat moeder schrijver Ingmar Heytze

Om verder te lezen:
https://www.novistukken.nl/uitvoeringsagenda/default.aspx
http://waardenbenadering.nl/waarden/
https://www.nrc.nl/nieuws/2021/01/07/de-roman-heeft-een-lichaam-gekregen-a4026640

Zo kan het ook: optimistisch over een gezamenlijke, bio-geïnspireerde toekomst

Bij het lezen van het boek Zo kan het ook moest ik denken aan ons SKG-jaarcongres in 2017. Hier presenteerde de Britse Sue Riddlestone het One Planet Living-model, waarin duurzaamheid is verbreed tot ´duurzaam leven’ aan de hand van tien thematische principes, zowel harde (fysieke) als zachte (gedrag en cultuur). In de lezing vertelde ze dat we op dit moment wel drie planeten nodig hebben door de wijze waarop we leven en bouwen. Het boek Zo kan het ook draait ook om de vraag in hoeverre we onze planeet uitputten. Maar, wel op een positieve manier. Namelijk hoe we kunnen leren van de natuur om bij te dragen aan het verminderen van de belasting van onze planeet.

Dit wordt uitgewerkt aan de hand van drie richtingen om producten, processen en systemen te vernieuwen: biomimicry, biophilia en de circulaire economie. Na een introductie over deze termen volgt een uitwerking aan de hand van de thema’s Water, Energie, Voedsel, Infrastructuur, Werken, Wonen, Producten, Recreëren en Leefstijl. Dit alles ook vanuit de gedachte dat bio-geïnspireerde oplossingen bijdragen aan meer gezondheid, een betere verdeling van welvaart en het scheppen van schoonheid. Een inspirerend boek met lessen uit de natuur, over ons gedrag en met bruikbare voorbeelden voor gebiedsontwikkeling.

Biomimicry, biophilia en circulair

Hoe kunnen we de natuur zo goed mogelijk imiteren? De auteurs Jaco Appelman, Mireille Langendijk en Anoek van der Leest richten zich daarbij op biomimicry. Biomimicry staat voor de natuur die weet wat wel en wat niet werkt. Het kent drie pijlers: imiteren, herverbinden en ethos. Het eerste staat voor ontwerpen vanuit voorbeelden uit de natuur. Het tweede, herverbinden, staat voor het besef dat menselijke oplossingen vaak de veerkracht van de natuur beschadigen, omdat we er geen relatie meer mee hebben. En het derde begrip ethos staat voor een set van samenhangende waarden en normen. Maar, zo laten de auteurs ons weten: voordat we aan mimicry toe komen, moet de mens een viertal uitgangspunten in acht nemen:

  1. De natuur gebruikt alleen energie van de zon, zwaartekracht, water en wind
  2. In de natuur is alles dynamisch; ieder evenwicht is tijdelijk
  3. Alles in de natuur gebeurt in een cyclus, is oneindig circulair en niet lineair
  4. Alles in de natuur heeft limieten en grenzen.

Dan biophilia, vertaald: liefde voor het leven. Dit gaat uit van 14 patronen waarmee je de natuur dichterbij kan halen in je huis, buurt of werkomgeving. Denk bijvoorbeeld aan contact met natuurlijke systemen, de waarde van onze zintuigen, het gebruik van natuurlijke materialen of natuurlijke vormen (fractals) terug laten komen in ontwerpen.

Het derde begrip is onze circulaire economie. Met de vier uitgangspunten in de biomimicry als basis wordt ingezet op een regeneratief systeem met een biologische en technologische cyclus. Met het laten rouleren van energie en materiaal zodat producten hergebruikt kunnen worden.

Concrete lessen voor gebiedsontwikkeling

In Zo kan het ook wordt aan de hand van negen thema’s uitgewerkt hoe we meer in samenhang met de natuur kunnen leven. Ik licht er zes uit op basis van bruikbaarheid voor gebiedsontwikkeling of onderwerpen waar we relatief nog weinig over horen.

WaterVolgens de auteurs is het de hoogste tijd om oog voor de waarde van water te hebben. Dit begint met anders denken en andere vragen stellen. Bijvoorbeeld door de vraag om te draaien. Niet wat hebben wij nodig maar wat heeft de omgeving nodig? Een concreet aangehaald voorbeeld is geomorfologisch beekherstel. Beken zijn rechtgetrokken om de afvoercapaciteit te verhogen en daarmee de wateroverlast te verkleinen. Nu blijkt dat beken diep in het landschap snijden waardoor het omliggende landschap verdroogt en het water te snel wordt afgevoerd. Hierdoor vindt er bovenstrooms verdroging plaatst en verdwijnen typische planten en dieren. We moeten dus zoveel als mogelijk terug naar natuurlijke waterlopen.

“De basis voor welvaart is een ecologische, gezonde aarde”

EnergieAls consumenten en producenten onderschatten we vaak hoeveel energie we gebruiken. Door te leren van de natuur kunnen we ons energieverbruik verlagen. Alles in de biologie is erop gericht om met zo min mogelijk energie zoveel mogelijk te bereiken. Aan de hand van de aan de TU Delft ontwikkelde Trias Energetica kan in 5 stappen de energievraag omlaag worden gebracht. Als eerste stap het beperken van de energievraag door het isoleren van woningen. En te leren van natuurlijke isolatiesystemen die afhankelijk van de temperatuur koelen of warmte vasthouden. Als tweede wordt het benutten van restwarmte genoemd en de innovatie ‘Living Light’ van Ermi van Oers waar de energie van verlichting uit planten of vervuild water komt. Stap vier: gebruik fossiel als het echt niet anders kan. En tot slot is stap 5 de vaak vergeten kostenposten voor onderhoud en vervangen.

InfrastructuurDoor de snel toenemende verstedelijking wordt het steeds ingewikkelder om verkeerstromen, energiebehoefte, afvalverwerking en veiligheid op elkaar af te stemmen. Hoe moeten infrastructuren worden ingericht om de leefbaarheid op onze planeet veilig te stellen? Hierbij worden zeven voorbeelden aangehaald, ik belicht er drie waar we relatief nog weinig over horen:

  • Aandacht voor het Wood Wide Web; het ondergrondse netwerk in bossen, waarin mycorrhiza-schimmels informatie en voeding doorgeven aan de planten en bomen
  • Lokale infrastructuren; kleinere cyclische processen laten samenwerken in een groter systeem net zoals we in natuurlijke ecosystemen zien. Zoals het opwekken en delen van energie, het verbouwen van voedsel en het ruilen van spullen en diensten.
  • Groene infrastructuur; van versnipperde natuur naar verbinden om de biodiversiteit te versterken. Natuurinclusief bouwen om rekening te houden met de soorten die in de stad leven. Het verbindt stedelijke (her)ontwikkeling, openbaar groen en water.

Wonen, voedende wijkenHoe kunnen we weer meer gebruik gaan maken van duurzame materialen om tot een gezonde woning te komen? Wat veel mensen niet weten is dat de lucht binnenshuis helemaal niet zo gezond is. Circulair en natuurinclusief bouwen dragen bij aan het verbeteren hiervan. Door te denken in kringlopen en net als in de natuur afval te zien als reststroom. Materialen behouden hun waarde, de levensduur wordt verlengd wat bijdraagt aan het er zuinig mee omgaan. Natuurinclusief betekent dat je de natuur meeneemt als gebruiker en je de verbinding tussen mens en natuur sterker maakt. Denk aan groene gevels en daken, vogeldakpannen, Tiny houses en Biohm als pionier binnen de duurzame bouw, met op natuur geïnspireerde constructiesystemen en bouwmaterialen.

Producten, minder is natuurlijkVia een grafiek van de World Bank wordt de duidelijke samenhang tussen de toename van de bevolking, de groei in gebruik van allerlei grondstoffen en vele milieuproblemen, zoals een verhoogde CO2-uitstoot, het verlies aan biodiversiteit en het afnemen van tropische regenwouden weergegeven. Nederland wil van de huidige lineaire economie naar een circulaire economie waarin afvalstoffen als grondstoffen worden gezien. Lokale initiatieven zijn volgens de auteurs belangrijk om hiervoor draagvlak en bewustzijn te scheppen. Naast het slim benutten van restafval is de ontwikkeling van nieuwe materialen een belangrijke ontwikkeling, denk bijvoorbeeld aan lichtgevende fietspaden van algen. In een circulaire economie gaat luxe over transparantie, ambacht en vernieuwing, over kwaliteit en authenticiteit voor een langere periode. Met als grootste impact het kopen van minder spullen en het principe van gedeelde producten.

Leefstijl, haal inspiratie uit de natuurDe natuur is meester in het besparen op materiaal en energie, dat doet ze vooral door meer tijd te nemen en informatie en structuur te gebruiken bij haar oplossingen. Selectiever consumeren betekent een lagere impact op je omgeving. Naast ruimtelijke oplossingen vraagt het ook om een gedragsverandering. Denk aan zuiniger omgaan met energie, korter en minder lang douchen en minder tegels en meer groen in de tuin.

Naar een florerende planeet

Naast bovenstaande thema’s met concrete voorbeelden bevat het boek een aantal mooie interviews met frontrunners die hier dagelijks mee bezig zijn. Dit varieert van een boer, een econoom tot diverse ontwerpers. Een inspirerend en leerzaam boek met een duidelijk verhaal en concrete voorbeelden die kleur geven aan de diverse duurzame opgaven waar we voor staan. Een belangrijke boodschap in het boek is dat de we niet bang moeten zijn voor negatieve economische groeicijfers maar dat de basis voor welvaart een ecologische, gezonde aarde is. ‘Zo kan het ook’, een passende titel vanuit de hoop op een gelukkiger mens op een florerende planeet.

Gebiedsontwikkeling 2021

Voor gebiedsontwikkeling heeft de coronapandemie reeds gaande ontwikkelingen verder blootgelegd. Technologische ontwikkelingen zoals het vaker thuiswerken en de groei van digitale bestellingen met als gevolg een groeiende leegstand van kantoren en winkelpanden. Maar ook daling van de CO2-uitstoot door minder lucht- en autoverkeer en het pijnlijk zichtbaar worden van de sociaaleconomische tweedeling. Denk aan onderwijs, eenzaamheid en gezond gedrag.

Breder welvaartsbegrip

De wereldwijd voelbare pandemie heeft het belang van een breder welvaartsbegrip duidelijk gemaakt. Economische groei is niet het enige dat de welvaart voor burgers bepaalt. Al in 2016 hebben de Universiteit Utrecht en RaboResearch als alternatieve welvaartsmaat de Brede Welvaartsindicator (BWI) gelanceerd. Het gebruik van deze indicator met elf dimensies van welvaart maakt het mogelijk om de samenhang en interactie tussen verschillende dimensies te achterhalen, en beleidsdilemma’s bloot te leggen. Die elf dimensies zijn: veiligheid, gezondheid, inkomen, persoonlijke ontwikkeling, milieu, baanzekerheid, wonen, maatschappelijke betrokkenheid, sociale relaties, subjectief welzijn en de werk-privébalans.

Een sterkere rol van de overheid en een breder welvaartsbegrip geven steeds vaker richting aan de grote maatschappelijke opgaven waar we in gebiedsontwikkeling voor staan. De strijd om de ruimte is hierbij een belangrijke factor. Minder landbouwgrond, meer ruimte voor natuur, hoe om te gaan met de toename van het aantal grote distributiecentra en datacenters plus de vraag hoeveel, welke en waar ruimte wordt geboden aan duurzame energieopwekking. En vanzelfsprekend hoort bij dat rijtje de vraag hoe de 1 miljoen gewenste nieuwe woningen worden ingepast, inclusief de bijbehorende infrastructuur. 

Investeringen voor ruimtelijke opgaven

De economische impact van de coronapandemie is groot. Na de kredietcrisis in 2008 was het overheidssaldo min 12 miljard, nu midden in de coronacrisis staat de teller voor 2020 op min 56 miljard. En wordt voor 2021 een tekort van 45 miljard verwacht. Gelukkig heeft het huidige kabinet voor de ‘strijd om ruimte’ wel extra middelen ingezet en deze ‘naar voren’ gehaald. Woningbouw is topprioriteit voor minister Ollongren (BZK) die dat kracht bij zet met een impuls van 450 miljoen euro voor 2021. Voor de transformatie van winkels en kantoren naar woningbouw is 20 miljoen extra vrijgemaakt. En nog eens 75 miljoen is bestemd voor verduurzaming van de gebouwde omgeving. 

Minister Schouten (LNV), richt zich met haar begroting (2 miljard euro) op het staande houden van de landbouw en visserij op de wereldmarkt. Met een stapsgewijze transitie naar kringlooplandbouw met duurzame productie van voedsel in verbinding met de natuur. Voor de energietransitie geeft de overheid steun met subsidies en investeringen via het staatsbedrijf TenneT en Invest-NL (financiert ondernemingen die Nederland duurzamer en innovatiever maken). Plus een  bijdrage uit het door ministers Wiebes (EZ) en Hoekstra (Financiën) gelanceerde groeifonds (20 miljard) om de komende vijf jaar in te zetten op herstel van onze economie.

Drie relevante vraagstukken

Naast investeringen vragen de voorliggende opgaven om een Brede Welvaartsindicatorbenadering. Met de effecten van de coronacrisis in gedachten belicht ik drie relevante vraagstukken voor gebiedsontwikkeling met handreikingen voor de agenda 2021. 

Als eerste het stimuleren van gezond gedrag. In veel steden zien we dat er naast openbare sportvoorzieningen meer ruimte komt voor fietsers en voetgangers. Maar het gaat om meer. De door Ingenieursbureau Arcadis uitgebrachte Gezonde Stad Index 2020 geeft hiervoor houvast. In de index worden vijf domeinen benoemd waaraan de gezonde stad moet voldoen. Te weten: gezond milieu, gezonde gemeenschap, gezonde gebouwde omgeving, gezonde mobiliteit en gezonde buitenruimte.

Als tweede is de vraag van belang hoe kan worden bijgedragen aan een inclusieve samenleving. Céline Janssen (promovenda leerstoel Gebiedsontwikkeling TU Delft) heeft dit in 2019 helder beschreven aan de hand van zeven interpretaties die ze waarnam in het veld van gebiedsontwikkeling. Het betreft: weten wat gebruikers willen, betaalbaar wonen, versterken van de sociale samenhang, zelforganisatie, kansen voor persoonlijke ontwikkeling, integreren van sociale en ruimtelijke programma’s en tot slot omgang met functies ‘die niemand wil’ zoals daklozen of een tbs-kliniek. Bruikbare voorbeelden om bij een gebiedsontwikkelingsopgave het begrip sociale inclusie concreet te maken.

En als derde de groeiende aandacht voor natuur en meer specifiek biodiversiteit. Naast het buitengebied leveren ook steden hier een belangrijke bijdrage aan. Volgens Tobias Verhoeven en Rosalie de Boer (Synchroon) zetten steden ook steeds meer in op natuurinclusieve ontwikkeling. In de praktijk wordt naast het inzetten van landschapsarchitecten ook steeds vaker samengewerkt met ecologen in gebiedsontwikkeling. Dit gebeurt vooral ‘aan de voorkant van het proces’ zodat in beeld kan worden gebracht hoe de biodiversiteit kan worden versterkt. Een mooi voorbeeld is de slogan van Breda: ‘een stad in een park’.

Verkiezingen

Op 17 maart zijn de Tweede Kamerverkiezingen. De drie geschetste punten verdienen de aandacht bij de terugkeer van een ministerie van Ruimtelijke Ordening. De mogelijkheden hiervoor worden mede bepaald door de samenstelling van het kabinet. Krijgen we een kabinet over rechts of over links of wordt het een regenboogcoalitie? Het jaar 2021 wordt in ieder geval het jaar van de coronavaccins en hopelijk ook het concreet maken van het brede welvaartsbegrip in gebiedsontwikkeling.

De buurt centraal voor een sociale en duurzame stad

Het boek ‘Neighbourhoods for the Future. A Plea for a Social and Ecological Urbanism’ gaat uit van de overtuiging dat de klimaatcrisis vraagt om een verbreding van onze ‘stedelijke verbeelding’. Hoe zorgen we ervoor dat mensen zich thuis voelen in de stad? Volgens de auteurs liggen hiervoor kansen op buurtniveau door de mondiale klimaatopgave te verbinden met lokale vraagstukken. Een belangrijke opgave voor gebiedsontwikkeling.

Het boek bestaat uit vier delen. In deel één wordt gereflecteerd op de betekenis van de klimaatcrisis voor (her)bouw van steden, geredeneerd vanuit de schaal van de buurt. Het tweede deel gaat in op dertien Nederlandse en buitenlandse buurten die een grote bijdrage hebben geleverd aan of waar een grote ambitie bestaat op het gebied van duurzaamheid. In het derde deel worden drie projecten uitgediept. Het boek sluit af met een analyse van de projecten als basis voor diverse lessen en negen aanbevelingen voor buurten van de toekomst.

Klimaatdoelen én leefbaarheid

In de publicatie gaan de auteurs ervanuit dat twee derde van de wereldbevolking in 2050 in steden woont. Dit betekent dat 40 procent van het stedelijk gebied nog moet worden gebouwd. De auteurs maken duidelijk dat een technocratische aanpak van de klimaatcrisis, volledig gebaseerd op technologische kennis, tekortschiet. Het risico is groot dat een te grote focus op de techniek niet tot het benodigde draagvlak leidt, met protesten en een trage implementatie als gevolg. Als antwoord hierop pleiten ze om de klimaatopgaven niet alleen grootschalig maar ook vanuit de schaal van de buurt op te pakken. Zo kunnen deze worden verbonden met interventies gericht op andere vraagstukken zoals een sociale en rechtvaardige stad. De onderliggende vraag is dan welke specifieke kwaliteiten in een buurt voor een prettige leefomgeving zorgen.

“Mondiale klimaatopgaven verbinden met lokale vraagstukken is een belangrijke opgave voor gebiedsontwikkeling.”

De schaal van de buurt wordt geplaatst tegenover twee gangbare vormen van verstedelijking in de 20e eeuw. De ruimtelijk compacte hoogbouw en de suburban sprawl. In het boek wordt ingegaan op de geschiedenis van beide woonvormen aan de hand van bekende architecten zoals Le Corbusier en Frank Loyd Wright. De auteurs stellen dat de beperkingen van bovenstaande stedenbouwkundige archetypen gaandeweg duidelijk zijn geworden. Denk bij hoogbouw aan het scheiden van functies met anonimiteit en een gebrek aan eigenaarschap van de leefomgeving als gevolg. Ook bij de suburbs staat niet de gemeenschap centraal, maar het individuele gezin. Verder blijkt uit onderzoek – en dat geldt voor beide typen – dat de verschillen tussen diverse bevolkingsgroepen toenemen, dat armoede toeneemt en binnensteden voor veel mensen niet langer betaalbaar zijn. Onderzoek van de European Environment Agency maakt duidelijk dat veel wijken (en hun bewoners) bovendien te maken hebben met beperkte aandacht voor flora en fauna, fileproblemen, hoge publieke kosten en problemen met gezondheid.

De auteurs concluderen dat er niet één oplossing is voor duurzame verstedelijking. Maar dat het denken op buurtniveau, uitgaande van een gemiddelde dichtheid, mixed use en sociale diversiteit een belangrijke bijdrage kan leveren aan het bereiken van klimaatdoelen en leefbaarheid. Om te weten te komen wat bepalende kwaliteitskenmerken zijn en wanneer en hoe die daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden, zijn in het boek twee concepten geïntroduceerd:

  1. Onder ‘ buurtecologie’  verstaan de auteurs alle kwaliteiten van een buurt als gevolg van interventies op het gebied van duurzaamheid en de sociale agenda.
  2. Onder ‘buurtarrangementen’  verstaan de auteurs de (combinaties van) maatregelen die buurten zowel duurzaam als sociaal sterk maken.

Pleidooi voor buurtecologie

De geïntroduceerde term ecological urbanism is niet nieuw, maar de auteurs willen dit concept verder uitwerken en toepassen op een nieuwe stedelijkheid. Ecologie is meer dan alleen ‘natuur’. Het gaat om het erkennen dat steden en natuur onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dit vraagt niet alleen om het gebruik van klimaatvriendelijke bouwmaterialen en een klimaatadaptieve inrichting van de openbare ruimte. Ook aandacht voor de ‘sociale ecologie’ is van belang: het inzetten van kennis van alle stakeholders, inclusief bewoners. Om het geheel van samenhangende delen die een buurt tot een goed functionerend en een prettig geheel maken, munten de auteurs het begrip neighbourhood ecology.

Om grip te krijgen op wat neighbourhood ecology is selecteren de auteurs cruciale kwaliteiten van buurten. Te weten: duurzame prestaties, het scheppen van een prettige leefomgeving, betaalbaarheid plus inclusie en adaptief vermogen. Om dit te realiseren is een buurtarrangement nodig, een combinatie van discours, actoren, middelen en regels die samen een meer duurzame en sociaal sterke buurt mogelijk maken.

Voorbeeldbuurten

In het boek is voor drie buurten een verdiepingsslag gemaakt. Te weten Bo01 in het Zweedse MalmöRegent Park in het Canadese Toronto en de modernistische hoogbouwwijk Overvecht in Utrecht. Graag sta ik stil bij het reeds gerealiseerde eco-city project Bo01. Dit project is gestart in 1999 en afgerond in 2011. Bijna dagelijks wordt dit gebied nog bezocht om te leren hoe de transformatie naar een duurzame buurt tot stand gebracht kan worden. In het Zweedse voorbeeld is het weren van auto’s een belangrijk punt gebleken, een strategie die we in Nederland bijvoorbeeld zien op het in het boek opgenomen project GWL-terrein in Amsterdam. Voetgangers en fietsen staan centraal. Verder heeft een groep eigenaren voor Bo01 in vijf maanden tijd een kwaliteitsprogramma opgesteld. Het betreft een set van richtinggevende principes gericht op het opwekken van hernieuwbare energie (klimaatneutraal), het versterken van de biodiversiteit en er voor zorgen dat het waterfront vanuit iedere woning zichtbaar is

“Het pleidooi van Jane Jacobs is van alle tijden, maar iedere periode vraagt wel om eigen aandachtspunten en bijbehorende aanpak.”

Om te zorgen dat de ontwikkelaars de leidende en gewenste principes in de transformatie volgen, is het project gefaseerd. Alleen nadat het eerste gebied (op publieke grond) op de gevraagde wijze gerealiseerd was, volgde een nieuw gebied. Om de verschillende opgaven samen te brengen is gewerkt met een gebiedsgerichte organisatie. Cruciaal voor de haalbaarheid waren de publieke investeringen en subsidies. Verder is een belangrijke les uit Bo01 het werken op de menselijke schaal, en het samenbrengen van lokale behoeften en de grotere klimaatopgave waar we voor staan.

Inspirerende aanbevelingen

Het boek sluit af met de belangrijkste lessen en negen inspirerende aanbevelingen. Als illustratie licht ik er graag twee uit:

Als eerste de aanbeveling met aandacht voor smart cities. De inzet van technologische middelen lijkt aanlokkelijk. In het boek wordt een voorbeeld in Utrecht aangehaald waar een ondernemer een smart grid voor zonne-energie bewust op buurtniveau realiseerde. De gedachte hierachter is om privacy, autonomie en toegankelijkheid in eigen hand te houden (en niet in die van een groot en anoniem platform).

En dan de aanbeveling waarin, aan de hand van de wijk Portland’s Pearl District in Oregon (VS), beschreven wordt hoe met tax increment financing (TIF) bij gentrificatie de stijgende waarde zo kan worden ingezet dat ook de lage en middeninkomens in de buurt kunnen (blijven) wonen. Een Nederlands voorbeeld hiervan is de terugkoopgarantie door corporaties bij verkoop van een huurhuis, maar het is een inspirerende gedachte hoe dit naar Amerikaans voorbeeld breder ingezet kan worden. 

Bruikbare handreikingen voor stad als organisme

Een belangrijke bron in het boek is het werk van de Amerikaans-Canadese publiciste en stadsactiviste Jane Jacobs. Zij pleitte in de jaren zestig al voor het belang van een combinatie van een gevoel van veiligheid, het stimuleren van sociale interactie en het mengen van bevolkingsgroepen in buurten met een menselijke maat. Het pleidooi van Jacobs is van alle tijden, maar iedere periode vraagt wel om eigen aandachtspunten met bijbehorende aanpak. Duidelijk is dat we in deze tijd niet voort kunnen borduren op de 20e eeuwse focus op welvaart, maar welzijn veel meer centraal moeten stellen. Neigbourhoods for the Future biedt heldere concepten en aansprekende voorbeelden met bruikbare handreikingen om te komen tot een stad als levend organisme. Met buurten die zowel sociaal als duurzaam zijn.

Corona: kans voor versnellen klimaattransitie

Corona heeft zich genesteld in vele onderdelen van de samenleving. Het heeft in Nederland even geduurd, maar ook hier zien we nu mensen met mondkapjes op straat en in winkels. Een dagelijkse confrontatie met het coronavirus. Ook voor gebiedsontwikkeling. Lege vliegtuigen, lege treinen, rustigere snelwegen. Lege kantoorruimtes, failliete winkels en gesloten horecavoorzieningen. De coronacrisis is een aanslag op onze economie. De Europese Commissie voorspelt dat de EU-landen – op voorwaarde dat nieuwe virusgolven uitblijven – op zijn vroegst in 2023 terugkeren naar hun welvaartsniveau van vóór de coronapandemie.

Europa heeft de ambitie om met de Green Deal het eerste klimaatneutrale continent te worden. Hier zijn echter veel en grote investeringen voor nodig. In de Tweede Kamer was vorige week een discussie over het gewenste tempo van energietransitie. Verantwoordelijk minister Wiebes was hier duidelijk over: ‘het is onmiskenbaar dat er extra actie nodig is om de klimaatdoelen (CO2-reductie van 49 procent in 2030) te halen’. Hij ziet dit als een belangrijke taak voor het volgende kabinet. Maar laten we ook kijken wat vandaag al kan. Laat de coronacrisis geen roet in het eten gooien, maar speel in op de trends die de klimaatdoelen versnellen. Gebiedsontwikkeling en de ontwerpende disciplines kunnen hieraan een belangrijke bijdrage leveren.

Minder vliegen, meer treinen

Als eerste trend de verandering in vervoersbewegingen. Om te beginnen het luchtvervoer. Het zal niemand zijn ontgaan dat het passagiersvervoer per vliegtuig dramatisch is gedaald. De vraag is hoe dit zich na de coronacrisis herstelt. Een verwachte trend is dat er vaker met kleinere vliegtuigen wordt gevlogen, die van bestemming naar bestemming vliegen; ook op langere trajecten. Hiermee staat Schiphol als transferluchthaven onder druk, maar het zorgt wel voor een lagere CO2-uitstoot in de omgeving. Daarbij kan door kleine verbeteringen in het treinvervoer, zoals bijvoorbeeld minder haltes, binnen een straal van 500 tot 750 kilometer de trein een deel van het Europese luchtverkeer vervangen.

Dan het personenvervoer op de weg. Met de groei van het thuiswerken wordt het eenvoudiger om het verkeer over de dag te spreiden, zowel op de snelwegen als in het openbaar vervoer. Dit zorgt voor minder files en is in combinatie met de groeiende markt van betaalbare elektrische (deel)auto’s ook goed voor de luchtkwaliteit.

Meer aandacht voor ruimtelijke ingrepen die uitnodigen om meer te bewegen

Een tweede trend is de groeiende aandacht voor een gezonde stad. Als gevolg van corona zien we een groei van de buitensport en is de schaarse natuur en recreatief Nederland (her)ontdekt. Verder wordt in veel steden al ingezet op minder ruimte voor auto’s en meer ruimte voor fietsers en voetgangers. Ook is er al langer aandacht voor ruimtelijke ingrepen die uitnodigen om meer te bewegen. Daarbij is de openbare ruimte een belangrijke plek voor ontmoeting, zien we ook nu in de coronatijd. Dit past bij de toename van woningcomplexen met veel aandacht voor gemeenschappelijke ontmoetingsruimtes. Ook vraagt het om in te spelen op de klimaatverandering met meer groen en ruimte voor wateropslag voor een betere kwaliteit van onze leefomgeving.

Verder heeft de corona de trend van digitalisering in onze samenleving versneld. Zo zien we een forse groei van digitale bestellingen en bezorgdiensten zowel in food als non-food. De urgentie om na te denken over het inpassen van distributiedozen, die bijdragen aan de energietransitie neemt hiermee toe. Verder heeft het thuiswerken een enorme vlucht genomen. Al zal persoonlijk contact altijd belangrijk blijven, voor bepaalde banen kan veel via virtueel contact. Wat we verder van de coronacrisis leren is dat thuiswerken een enorme impact heeft op de thuissituatie. Niet iedereen heeft een woning met ruimte voor een werkplek. Hiermee zal, naast aandacht hiervoor bij nieuwbouw, de vraag naar gebouwen met flexplekken verder toenemen. Maar door de corona en het vaker thuiswerken zal het aantal leegstaande kantoren en dichtgetimmerde winkelpanden in veel steden groeien. Net als bij verduurzaming van bestaande woonwijken ligt hier een taak voor een duurzame herstructurering van bestaand vastgoed en waar mogelijk het toevoegen van nieuwe duurzame woningen.

Meer aandacht voor herstelbeleid op de middellange en langere termijn vanuit een breed welvaartsbegrip

Hoe verder? Geen misverstand, corona heeft sociaal en economisch dramatische effecten. Maar zoals geschetst biedt het ook kansen. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving is het in Den Haag echter nog niet vanzelfsprekend om ook kansen en risico’s voor de leefomgeving mee te nemen bij het voorbereiden van het herstelbeleid. Ze bracht voor de zomer een policy brief uit met als titel Van coronacrisis naar duurzaam herstel. Hierin een pleidooi om meer aandacht te besteden aan herstelbeleid op de middellange en langere termijn vanuit een breed welvaartsbegrip. In lijn met de geschetste trends geven ze aan dat we voor grote ruimtelijke opgaven staan, die vragen om het maken van slimme combinaties. Een aanpak waar ontwerpende disciplines al veel onderzoek naar hebben gedaan. Laat het volgende kabinet deze studies meenemen in het komen tot besluitvorming over de weg naar een klimaatneutraal Europa voor 2050.

Door Agnes Franzen

Verwest, F., J. Notenboom & O.-J. van Gerwen (2020), Van coronacrisis naar duurzaam herstel. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Nieuwe ontwerpmethode voor de openbare ruimte: bekijk bovengrond en ondergrond in samenhang

Amsterdam-Zuidoost, gebied Amstel-Stad. Foto: Gemeente Amsterdam/Your Captain, 2020

Door Agnes Franzen

27 okt 2020 – Het aantal ruimtelijke opgaven in de openbare ruimte neemt de afgelopen jaren dermate toe, dat een nieuwe methode nodig is om al die ruimteclaims een plek te geven. Dit wordt uitgewerkt in het boek ‘Integrale ontwerpmethode openbare ruimte’, ontwikkeld door de gemeente Amsterdam. Recensent Agnes Franzen: “De noodzaak van een integrale aanpak tussen bovengrond én ondergrond neemt toe.”

Gebiedsontwikkeling werkt vanuit een integrale benadering. De gemeente Amsterdam zag dat deze aanpak ook nodig was voor de openbare ruimte. Dit heeft geresulteerd in een kloek boekwerk: Integrale ontwerpmethode openbare ruimte. Aan de hand van de casus Amstel-Stad, een gebied aan de zuidoost kant van Amsterdam, wordt ingegaan op de complexe en actuele opgaven voor het inrichten van de openbare ruimte. Zowel boven als onder de grond.

Steeds meer ruimtelijke opgaven

Het gebied Amstel-Stad is een lange zone, tussen het Amstelstation in het noorden en het Amsterdam UMC in het zuiden. Het gebied wordt in het westen begrensd door de A2 en aan de oostkant ligt de Bijlmermeer. Het is een gebied met diverse initiatieven voor ontwikkeling en transformatie (pdf) en in totaal is er ruimte voor zo’n 25.000 tot 50.000 woningen.

In de komende 20 jaar gaan alle straten in Amsterdam op de schop. Dit is nodig omdat het aantal opgaven in de openbare ruimte toeneemt. Denk aan klimaatadaptatie, de energietransitie plus het perspectief van een circulaire aanpak. Om al deze opgaven te realiseren is het nodig om deze een plek te geven in de openbare ruimte, zowel boven als onder de grond. Amstel-Stad staat voor een grote inpassingsvraag in de openbare ruimte en dient daarom als casus hoe al die ruimteclaims op een goede manier te integreren. Hiervoor is een nieuwe methode ontwikkeld om te komen tot een integrale afweging van de diverse ruimtelijke opgaven. De in het boek beschreven nieuwe methode richt zich op het gebied op het ‘Tussenniveau’ tussen gebiedsontwikkeling en de Structuurvisie in. Dit omdat zich daar gebiedsoverstijgende netwerkstructuren bevinden zoals groenstructuren, wateropgaven, aanleg van leidingen en nieuwe energienetwerken. En er zo beter integraal gewerkt kan worden.

Een team van gemeentelijke openbare ruimte ontwerpers, stedenbouwkundigen, technische experts en beheerders heeft twee jaar gewerkt aan de tweedelige publicatie over een nieuwe ontwerpmethode voor de openbare ruimte. Het eerste deel gaat in op het theoretische kader, de werkmethode en toepassingen uit het Werkboek aan de hand van voorbeeldstraten en mogelijke inrichtingen in Amstel-Stad. Het tweede deel, het Werkboek, geeft een indrukwekkend overzicht van de ruimtelijke opgaven en mogelijke ontwerpoplossingen. Met als gebiedsthema’s: Leefmilieu, Water, Flora & Fauna, Energie, Bodem en ondergrond, Mobiliteit en Materialen. Voor al de zeven gebiedsthema’s wordt een overzicht van mogelijke maatregelen geschetst met bijbehorende ruimtelijke uitwerking(en). Voor het ontwikkelen van de werkmethode is inhoudelijk intensief afgestemd met gemeentelijke afdelingen, en onderzoekers van universiteiten.

“Een vraag voor toepassing van deze methode in de praktijk is hoe deze aanpak een goede plek kan krijgen in het proces van gebiedsontwikkeling”

Een integraal ontwerp van de openbare ruimte boven en onder de grond kan niet zonder aanpassing van de spelregels, van de wetgeving en van financiële en beleidskaders. Er zijn drie beleidsniveaus waar ontwerpers rekening mee moeten houden. De kaders van landelijke wet- en regelgeving, de schaal van de stad met de structuurvisie, en het gemeentelijk beleid op gebiedsniveau. Deze kaders zijn niet toereikend, daarom is gekozen voor een Tussenniveau dat vraagt om een nieuwe aanpak en nieuw beleid. De Omgevingswet, die in 2021 in werking treedt, sluit hier goed op aan. De Omgevingswet biedt de gemeente ruimte om samen met relevante stakeholders te komen tot een integrale afweging en besluitvorming. De publicatie en de ontwerpmethode lopen hierop vooruit.

Nieuwe ontwerpmethode

De nieuwe ontwerpmethode begint met het inventariseren van bestaande beleidskaders. De eerder genoemde zeven gebiedsthema’s, vertaald naar ruimtelijke opgaven, zijn hierbij leidend. Op basis van analyses van de bestaande situatie en toekomstige potenties wordt het ambitieniveau vastgesteld aan de hand van een Ambitieweb: een grafische weergave van ambities binnen diverse sociaaleconomische en duurzaamheidsthema’s. Op basis van het landelijke Ambitieweb is een Amsterdamse versie gemaakt, waarbij Ecologie onder Flora en Fauna valt, Welzijn onder Leefmilieu en Bereikbaarheid onder Mobiliteit. Daarnaast ligt het accent op fysieke en duurzaamheidsaspecten en zijn de sociale subthema’s van de ambities Sociale relevantie en Welzijn nog achterwege gelaten. Naast de zeven gebiedsthema’s, bevat het Ambitieweb de onderwerpen: investeringsagenda, het vestigingsklimaat, sociale relevantie, ruimtelijke kwaliteit en  ruimtegebruik.

De grootste uitdaging is om per locatie een match te maken tussen de strategie voor het plangebied, de gestelde ambities en duurzaamheidsthema’s plus de enorme verzameling aan mogelijke technische maatregelen op verschillende schaalniveaus in de openbare ruimte en ondergrond. Sleutel in de aanpak is om met prestatiedoelen de ruimtelijke opgaven van de zeven gebiedsthema’s te trechteren tot locatie specifieke prestaties voor een straat of plein. Dit vraagt een integrale aanpak en een iteratief proces. Welke maatregelen versterken elkaar? En waar zijn combinaties mogelijk om de ambities (meetbare doelen) te behalen? De kracht van de methode zit volgens de auteurs in een vroegtijdige samenwerking met de relevant stakeholders om te komen tot het gezamenlijk vaststellen van de ambitie en de uitvoering. 

Bij de ontwerpmethode worden zes stappen onderscheiden:

1. inventarisatie van het plangebied
2. een analyse aan de hand van de klimaateffectenatlas en ruimtelijke opgaven (en invullen Ambitieweb)
3. de strategie openbare ruimte bepalen (technische aanpak, topambities, prestatiedoelen)
4. een selectie van maatregelen en programmeren profielen
5. het vaststellen van de investeringsagenda voor gebiedsoverstijgende netwerkstructuren
6. ontwerp en uitvoering van straat, plein of plantsoen als basis voor concrete uitvraag voor marktpartijen.

Boekrecensie 'Integrale ontwerpmethode openbare ruimte' beeld

Kansen in een gebied in beeld brengen

Het Werkboek biedt diverse uitwerkingen en maatregelen. Elke maatregel heeft een of meerdere unieke uitwerkingen waaruit ontwerpers kunnen kiezen om te komen tot een duurzame en toekomstbestendige inrichting van de openbare ruimte, ondergrond en de aangrenzende buitenschil van de bebouwing. Per gebiedsthema en schaalniveau worden diverse mogelijke uitwerkingen geschetst. De schaalniveaus voor de maatregelen zijn: een gebied, de netwerken, maatregelen in de openbare ruimte, maatregelen op kavelniveau en maatregelen op gebouwniveau (met accent op de buitenschil). Graag licht ik het gebiedsthema Flora & Fauna eruit. Dit is op dit moment nog onderbelicht in gebiedsontwikkeling en verdient meer aandacht. In deel 1 zijn kaarten opgenomen van Amstel-Stad over Groenstructuren, Biodiversiteit en Gebruik & beleving in zowel de huidige als potentiële situatie.

Bij de kaarten Groenstructuur wordt ingegaan op mogelijke bomenlanen, een nieuw park en mogelijkheden voor groene daken op bestaande panden en nieuwe bebouwing. Interessant zijn de kaarten Biodiversiteit. Hier is gekeken welke dieren zich op dit moment al in het gebied bevinden. Naast diverse typen vogels, zijn ook dieren die zich over de grond en in het water bewegen zoals vossen, bijen en baarzen, meegenomen. In de potentiekaart zien we onder meer kansrijke locaties voor mogelijke faunatunnels en waterverbindingen. Met deze aanpak worden per gebied de kansen helder in beeld gebracht en vervolgens in het Werkboek met ontwerpvoorbeelden vertaald in mogelijke oplossingen. Zoals bijvoorbeeld een corridor voor kleine organismen en diverse oplossingen voor groene daken. De geschetste maatregelen vragen om een vroegtijdige samenwerking van actoren vanuit de invalshoeken van het Ambitieweb in het proces van een gebiedsontwikkeling.

Duurzame inrichting van de openbare ruimte

De ambitie van de gemeente Amsterdam is om de locatie Amstel-Stad als onderdeel van de economisch sterke en goed bereikbare zuidflank van de metropool te ontwikkelen, transformeren en te intensiveren. De kwaliteit van deze publicatie is dat het een koppeling maakt tussen ondergrondse opgaven en de kansen die er liggen in de bovengrondse openbare ruimte voor actuele ruimtelijke vraagstukken. Voor stedenbouwkundigen maar ook voor andere betrokken partijen inspireert het Werkboek met haar integrale aanpak op het Tussenniveau en prachtig verbeelde mogelijke oplossingen voor een duurzame inrichting van de openbare ruimte.

“Deze publicatie maakt een koppeling tussen ondergrondse opgaven en kansen in de bovengrondse openbare ruimte, voor actuele ruimtelijke vraagstukken”

Vanwege de integrale benadering, sluit de nieuwe methode voor de openbare ruimte goed aan op de NOVI-aanpak en daarnaast is de inzet van het Rijk om de publicatie mee te nemen in de City Deals. Deze richten zich op het versterken van de (economische-) groei, innovatie en leefbaarheid in steden, op kennisdeling en het maken van concrete afspraken tussen steden, Rijk, andere overheden, bedrijven en maatschappelijke instellingen.

Wat nog wel een vraag is voor toepassing van de methode in de praktijk, is hoe en op welk moment deze aanpak een goede plek kan krijgen in het proces van gebiedsontwikkeling. Het werken op een Tussenniveau vraagt om andere beleid en het eerder betrekken van publieke en private stakeholders. Wat hierbij aandacht verdient is het kijken vanuit het perspectief van de relevante stakeholders. Een ander punt is, zoals Yvonne van der Laan, waarnemend directeur Ruimtelijke Ordening (ministerie BZK) onlangs terecht stelde, dat het boek niet ingaat op ruimtelijke besluitvorming. Wie mag wanneer en waar over spreken en komen tot besluitvorming in de eigen organisatie?

Het zou goed zijn om de uiteindelijke inrichting van de openbare ruimte van Amstel-Stad te monitoren. Zo kan een beter inzicht worden verkregen in welke publieke- en private spelers op welk moment aan tafel komen voor de besluitvorming om vervolgens te komen tot inrichting en uitvoering. Een ander aandachtspunt is wat van deze aanpak geleerd kan worden voor gebieden waar de transformatieopgave (nieuwbouw) beperkt is, zoals in onze binnensteden. Ook hier ligt de uitdaging om tot een duurzame inrichting van de openbare ruimte te komen. Dat zijn twee mooie invalshoeken voor het vervolg.

Cover: Amsterdam-Zuidoost, gebied Amstel-Stad. Credit Gemeente Amsterdam/Your Captain

Meer weten over de publicatie ‘Integrale ontwerpmethode openbare ruimte’ en de betekenis hiervan? De gemeente Amsterdam organiseert, in samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gemeenten en andere stakeholders op donderdag 29 oktober van 14.30 tot 17.15 uur . Terugkijken kan: https://eventro.co/gemeente-amsterdam/integrale-aanpak-openbare-ruimte/live Samenwerken is deze middag een belangrijk thema en dit maken we dan ook direct concreet. Ministeries en een aantal gemeenten en steden, waaronder Amsterdam ondertekenen deze dag de City Deal openbare ruimte. Met het ondertekenen van deze deal geven partijen aan met elkaar aan de slag te willen gaan om te komen tot een nieuwe aanpak voor toekomstbestendige stedelijke gebiedsontwikkeling.